Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:3256
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,415 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/018139-24 (A) en 13/152730-23 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 12 april 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [naam PI] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2024.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.R. Zetsma, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Rastegar, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank mevrouw [naam reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker bij het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering, op de zitting gehoord.
2Tenlasteleggingen
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van zaak A
hij op of omstreeks 16 januari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, drie blikjes drank (Ketel Jenever), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn ( [locatie] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
ten aanzien van zaak B
hij op of omstreeks 25 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk Mercedes-Benz Vito) en/of een (personenauto)auto (merk BMW 1201), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan de Nationale Politie, in elk geval aan een ander dan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak A tenlastegelegde diefstal kan worden bewezen.
Ten aanzien van zaak B kan alleen de tenlastegelegde vernieling van de Mercedes-Benz Vito worden bewezen. Verdachte heeft bekend dat hij flessen heeft gegooid in de richting van geparkeerde auto’s. Uit het dossier blijkt dat het achterlicht van die auto daardoor kapot is gegaan. Ten aanzien van de vernieling van de BMW moet verdachte partieel worden vrijgesproken. Op de foto’s in het dossier is namelijk alleen glas op en rondom de auto te zien, maar onduidelijk is of deze auto ook blijvende schade heeft.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de in zaak A tenlastegelegde diefstal.
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het vernielen van de auto’s. Verdachte wilde na een incident op straat personen afschrikken door flessen in hun richting te gooien en hierdoor ook de politie waarschuwen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat met betrekking tot de BMW niet kan worden bewezen dat de auto beschadigd is geraakt.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring diefstal (zaak A)
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte zich op 16 januari 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal van drie blikjes drank bij de Albert Heijn ( [locatie] ).
3.3.2.
Gedeeltelijke bewezenverklaring vernieling (zaak B)
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij in de buurt van het politiebureau in de richting van geparkeerde auto’s glazen flessen heeft gegooid enerzijds om personen die hem achtervolgden af te schrikken en anderzijds om de politie te alarmeren. Hierbij zijn zowel een onopvallend dienstvoertuig (BMW 120i) als een opvallend dienstvoertuig (Mercedes-Benz Vito) geraakt.
De BMW 120i
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de BMW 120i niet kan worden bewezen dat de auto is vernield. Op de foto’s in het dossier is namelijk alleen glas op en rondom de auto(ruit)te zien, maar onduidelijk is of de auto ook daadwerkelijk is beschadigd. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.
De Mercedes-Benz Vito
De politie Eenheid-Amsterdam heeft verklaard dat er schade is ontstaan aan de auto: het glas van het achterlicht aan de rechterzijde van de auto is kapot. De rechtbank stelt vast dat dit ook zichtbaar is op de foto’s zoals opgenomen bij de aangifte. Hoewel verdachte geen vol opzet heeft gehad op het vernielen/beschadigen van deze auto heeft verdachte door het gooien van (glazen) flessen in de richting van geparkeerde auto’s wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daarbij auto’s zou raken en beschadigen, hetgeen ten aanzien van de Mercedes-Benz Vito ook is gebeurd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte een personenauto van het merk Mercedes-Benz Vito heeft beschadigd.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A
op 16 januari 2024 te Amsterdam drie blikjes drank die aan Albert Heijn ( [locatie] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak B
op 25 mei 2023 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Mercedes-Benz Vito) die aan de Nationale Politie toebehoorde heeft beschadigd.
5De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezengeachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet op te leggen, omdat verdachte niet voldoet aan de daarvoor vereiste zachte criteria. Er is nog geen sprake geweest van een wettelijk drangkader op grond waarvan verdachte verplicht was mee te werken aan reclasseringstoezicht.
Motivering
Voldaan aan de ‘harde’ criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast blijkt uit het strafblad van 18 maart 2024 van verdachte dat verdachte in de afgelopen vijf jaren ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen.
Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het openbaar ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan de ‘zachte’ criteria
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Verdachte is de afgelopen jaren veelvuldig veroordeeld voor (winkel)diefstallen waarvoor hij eerst deels voorwaardelijke maar later ook geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen heeft opgelegd gekregen. Vanwege het feit dat verdachte niet over een rechtmatige verblijfstatus beschikt en aan hem een inreisverbod is opgelegd, kan hij geen legaal bestaan opbouwen in Nederland en maakt hij geen aanspraak op structurele hulpverlening en sociale voorzieningen. Zolang deze situatie bestaat, blijft het recidiverisico onverminderd hoog. Verdachte dient terug te keren naar [land van herkomst]. De rechtbank is van oordeel dat tot het moment waarop verdachte Nederland daadwerkelijk heeft verlaten de oplegging van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is om zijn overlast veroorzakende delictgedrag te doorbreken en de maatschappij daartegen de beveiligen. Binnen de ISD-maategel kan ook aandacht worden besteed aan de verslavings- en (eventuele) psychische problematiek van verdachte, wat kan bijdragen aan een stabiele terugkeer naar zijn land van herkomst.
De rechtbank stelt daarmee vast dat aan alle voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan. De rechtbank ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen reden om deze maatregel niet op te leggen en zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Om de terugkeer van verdachte naar zijn land van herkomst op de juiste wijze en onder de juiste begeleiding te laten plaatsvinden, is het van groot belang dat hiervoor voldoende tijd wordt genomen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De ISD-maatregel kan, indien verdachte meewerkt aan zijn terugkeer, zoveel korter duren als nodig.
Tussentijdse beoordeling
De rechtbank ziet ten slotte aanleiding om uiterlijk twaalf maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A
diefstal;
ten aanzien van zaak B
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.
Bepaalt dat het openbaar ministerie binnen 12 (twaalf) maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en Q.M.J.A. Crul, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2024.
Bijlage I – Bewijsmiddelen
[…]