Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-26
ECLI:NL:RBAMS:2024:3253
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,966 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/213103-23 (A) en 13/285025-23 (B)
Datum uitspraak: 26 april 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2024.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.R. Zetsma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.F. Hoogervorst, naar voren hebben gebracht.
2Tenlasteleggingen
Aan verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A
1.
belaging van [persoon 1] in de periode van 3 november 2022 tot en met 21 augustus 2023 te Diemen en/of Zandvoort;
2.
computervredebreuk op 4 augustus 2023 te Diemen;
3.
belaging van [persoon 2] in de periode van 5 augustus 2023 tot en met 21 augustus 2023 te Diemen.
Zaak B
bedreiging van [persoon 2] in de periode van 12 oktober 2023 tot en met 15 oktober 2023 te Diemen en/of Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de inhoud van het dossier het in zaak A onder 1 en 3 en het in zaak B tenlastegelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde computervredebreuk heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd wegens onvoldoende bewijs.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van de in zaak A onder 1 tenlastegelegde belaging van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de frequentie van de gedragingen die verdachte heeft verricht, namelijk het bellen en e-mailen naar [persoon 1] en het plaatsen van een GPS tracker onder haar auto, niet stelselmatig van aard zijn en dat verdachte die gedragingen, bezien vanuit de context van het co-ouderschap over hun zoon, ook niet heeft gepleegd met de intentie om [persoon 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Ook het bellen van [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en het plaatsen van een GPS tracker onder zijn auto levert geen stelselmatige inbreuk op (zaak A, onder 3).
Ten aanzien van de in zaak A onder 2 tenlastegelegde computervredebreuk heeft de raadsvrouw bepleit dat de onderbouwing van die verdenking zodanig is dat dit niet kan leiden tot een bewezenverklaring.
Ten aanzien van de in zaak B tenlastegelegde bedreiging heeft de raadsvrouw een alternatief scenario aangevoerd. Het kan verdachte niet geweest zijn die de pakketten zou hebben verzonden, omdat – zoals een collega heeft verklaard – hij op 12 oktober 2023 tot 14:45 uur een vergadering heeft voorgezeten op kantoor. Bovendien zit er een onverklaarbare discrepantie tussen de track & trace gegevens, de gegevens van de enkelband en het tijdstip dat op de camerabeelden is te zien. Zo zou het moment van het afleveren van de pakketten omstreeks 14:38 uur zijn en het tijdstip waarop verdachte op de camerabeelden te zien zou zijn omstreeks 15:28 uur. Tot slot kan verdachte ook niet worden herkend op de camerabeelden; er zijn te weinig onderscheidende kenmerken.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak belaging [persoon 1] (zaak A, onder 1)
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode op verschillende manieren en momenten contact heeft gezocht dan wel gehad met [persoon 1] . Deze contactmomenten moeten worden bezien vanuit de context dat verdachte en [persoon 1] co-ouderschap hebben over hun minderjarige zoon en de daarmee samenhangende omgangsregeling. Voor zover er zicht is op de inhoud van het contact, blijkt niet dat dit (be)dreigend van aard is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de contactmomenten tezamen genomen en bezien vanuit voornoemde context niet zodanig van aard zijn dat deze een stelselmatige inbreuk opleveren op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] . Het feit dat verdachte een GPS tracker onder de auto van [persoon 1] heeft geplaatst leidt op zichzelf ook niet tot zo’n inbreuk. Dat is pas anders als met zo’n technisch hulpmiddel locatiegegevens worden opgevraagd en verdachte zich meermalen naar de opgevraagde locaties begeeft. Daarvan is onvoldoende gebleken. Bovendien kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met de intentie om [persoon 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de tenlastegelegde belaging van [persoon 1] .
4.3.2.
Vrijspraak computervredebreuk (zaak A, onder 2)
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde computervredebreuk niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.3.3.
Vrijspraak belaging [persoon 2] (zaak A, onder 3)
Verdachte heeft bekend dat hij een GPS tracker onder de auto van [persoon 2] heeft geplaatst, omdat hij het vermoeden had dat hij door [persoon 2] werd gevolgd. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte [persoon 2] in een korte periode (zes dagen) twintig keer heeft gebeld. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij aan [persoon 2] wilde vragen waarom hij door hem werd gevolgd, maar dat [persoon 2] niet opnam. Uit het dossier blijkt dan ook niet dat verdachte dreigende woorden heeft geuit richting [persoon 2] . De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen van een GPS tracker, zonder te handelen op basis van de daaruit voortvloeiende gegevens, en het vastgestelde aantal keren bellen naar [persoon 2] geen stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer opleveren. Niet kan worden bewezen dat verdachte dit heeft gedaan met de intentie om [persoon 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de tenlastegelegde belaging van [persoon 2] .
Motivering
6.1.
Strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarde moet een contactverbod met [persoon 2] worden opgelegd.
6.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen van de tenlastegelegde feiten, verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezengeachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
6.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, door rouwboeketten met begeleidende brieven te sturen naar zowel het werk- als woonadres van de mogelijke nieuwe vriend van zijn ex-partner. In de brieven heeft verdachte verwezen naar het geboortejaar van het slachtoffer en de suggestie gewekt dat het slachtoffer in 2023 zou komen te overlijden. Door het handelen van verdachte heeft hij het slachtoffer op morbide wijze betrokken bij een conflict tussen hem en zijn ex-partner en heeft hij het slachtoffer angst aangejaagd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
6.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 20 maart 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 2 april 2024, opgemaakt door [persoon 3] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven – dat bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de eventuele risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Uit het onderzoek van het NIFP van 27 maart 2024 blijkt dat er geen sprake van is van persoonlijkheidsproblematiek, waardoor een interventie gericht op gedragsbeïnvloeding of behandeling niet geïndiceerd is, en bij verdachte is geen sprake van responsiviteit ten aanzien van gedragsverandering of bijzondere voorwaarden.
6.3.3.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar het oriëntatiepunt dat de rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van een bedreiging, te weten een geldboete van 250,- euro. Gelet op het feit dat sprake is van een morbide vorm van bedreiging en verdachte deze cynische actie heeft gepleegd binnen de context van een conflict tussen hem en zijn ex-partner waarbij verdachte nota bene in een schorsing liep van een lopende strafzaak op verdenking van onder meer belaging van diezelfde ex-partner, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is. Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Verdachte heeft deze straf reeds volledig in voorarrest uitgezeten.
7Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
STK Mes (G6384648);
1 STK Mes (G6384650);
1 STK USB-stick (G6384653);
1 STK GSM (G6384659);
1 STK GSM (G6384660);
1 STK Computer (G6384690);
1 STK Computer (G6384699);
1 STK Handleiding gps tracker (G6384702);
1 STK GSM (G6384712);
1 STK Computer (G6384718);
1 STK Simkaart van zaktelefoon (G6384721);
1 STK Simkaart van zaktelefoon (G6384723);
1 STK Simkaart houder (G6384724);
1 STK GPS tracker (G6384726);
1 STK Revolver (G6384713);
1 STK Simkaart vanuit baken (G6385315);
1 STK Baken (G6385341).
Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het in zaak A onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde is er geen grondslag voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer en zullen de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem worden teruggegeven.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak B
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
STK Mes (G6384648);
1 STK Mes (G6384650);
1 STK USB-stick (G6384653);
1 STK GSM (G6384659);
1 STK GSM (G6384660);
1 STK Computer (G6384690);
1 STK Computer (G6384699);
1 STK Handleiding gps tracker (G6384702);
1 STK GSM (G6384712);
1 STK Computer (G6384718);
1 STK Simkaart van zaktelefoon (G6384721);
1 STK Simkaart van zaktelefoon (G6384723);
1 STK Simkaart houder (G6384724);
1 STK GPS tracker (G6384726);
1 STK Revolver (G6384713);
1 STK Simkaart vanuit baken (G6385315);
1 STK Baken (G6385341).
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en Q.M.J.A. Crul, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2024.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]