Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2024:2461
Internationaal publiekrecht, Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/034618-24
Datum uitspraak: 30 april 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 27 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 januari 2024 door the Harju County Court in Estland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Estland) op [geboortedatum] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Russische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Estische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest warrant van 21 augustus 2023, van the Harju County Court in Estland, court order No. 1-22-713.
Blijkens het EAB is de opgeëiste persoon op 1 maart 2022 door de Pärnu County Court (Estland) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar en vijf maanden (reference 1-22-713), met een proeftijd van één jaar en zes maanden. Aan deze voorwaardelijke straf waren algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. Dit vonnis is op 17 maart 2022 onherroepelijk geworden.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon zich niet aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Hierdoor is een strafrestant van negen maanden en 23 dagen voor tenuitvoerlegging vatbaar.
Uit aanvullende informatie van 5 maart 2023 en 14 maart 2024, afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit, is de rechtbank gebleken dat het aanhoudingsbevel ertoe strekt de opgeëiste persoon aanwezig te laten zijn bij de beoordeling door een rechter van de eventuele herroeping van genoemde voorwaardelijk opgelegde straf. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke beslissing worden aangemerkt als 'een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing' als bedoeld in art. 2, tweede lid, onder c, van de Overleveringswet (OLW), die aan het EAB ten grondslag ligt.
Gelet op het voorgaande kan de raadsman niet in zijn standpunt worden gevolgd dat nog geen sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing en dat de overlevering daarom zou moeten worden geweigerd. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om, zoals door de raadsman verzocht, het onderzoek te heropenen om navraag te doen of te onderzoeken of de opgeëiste persoon bij de beoogde omzettingsprocedure in Estland wel een eerlijk proces zal krijgen. Nog daargelaten dat de rechtbank geen indicaties heeft dat hiervan geen sprake zal zijn, heeft de raadsman geen gevallen kunnen noemen waarin sprake zou zijn geweest van een oneerlijk proces in Estland en heeft de rechtbank ook overigens geen bewijzen dat een algemeen gevaar van een oneerlijk omzettingsproces bestaat.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8, 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Harju County Court (Estland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. P. Sloot en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Vgl ECLI:NL:RBAMS:2007:BF0158