Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-18
ECLI:NL:RBAMS:2024:2235
Civiel recht
Kort geding
5,800 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/743458 / KG ZA 23-1074 IHJK/BB
Vonnis in kort geding van 18 april 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie bij dagvaarding op verkorte termijn van 12 december 2023,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. E.A. Slappendel te Gouda,
tegen
[gedaagde]
,
thans wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J. Mulder te Rotterdam (voorheen mr. M.T. Kumar).
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Op de mondelinge behandeling van 13 december 2023 heeft [eiser] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft mede aan de hand van een van te voren ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd en een tegenvordering (eis in reconventie) ingediend. [eiser] heeft de tegenvordering bestreden. Ter zitting hebben partijen omgangsafspraken gemaakt voor de periode tot februari 2024. Verder zijn zij overeengekomen in mediation te gaan om te komen tot een herstel van vertrouwen en een verbetering in de communicatie en om omgangsafspraken te maken voor de periode vanaf februari 2024.
1.2.
Bij brief van 13 februari 2024 heeft de advocaat van [eiser] laten weten dat de mediation zonder resultaat is geëindigd en om een voortzetting van de behandeling gevraagd. De voortzetting van de behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2024. Voor die zitting is ook de Raad voor de Kinderbescherming uitgenodigd.
1.3.
Voorafgaand aan de behandeling ter zitting van 4 april 2024 heeft [eiser] een vermeerdering van eis ingediend en [gedaagde] een wijziging van eis in reconventie. Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling van 4 april 2024 waren aanwezig:
- [eiser] met mr. Slappendel;
- [gedaagde] met mr. Mulder;
- [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming.
1.4.
Vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad die in september 2021 is geëindigd.
2.2.
In maart 2018 zijn partijen een adoptietraject gestart en op 6 maart 2021 is [naam kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , bij hun geplaatst.
2.3.
Omdat de relatie van partijen is geëindigd nadat [naam kind] bij hun was geplaatst maar voordat het adoptieverzoek kon worden ingediend (dat kan pas een jaar na plaatsing bij de adoptieouders) heeft Jeugdbescherming te kennen gegeven dat alleen nog eenouderadoptie kon worden aangevraagd.
2.4.
In onderling overleg zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] het verzoek tot eenouderadoptie zal indienen, hetgeen hij op 30 maart 2022 heeft gedaan. Bij beschikking van 17 augustus 2022 van deze rechtbank is de adoptie door [gedaagde] uitgesproken en is de volledige naam van [naam kind] gewijzigd in: [naam kind] . [gedaagde] heeft sindsdien het gezag over [naam kind] .
2.5.
In een op 6 januari 2022 ondertekend stuk hebben partijen afspraken gemaakt over de invulling van het ouderschap door hun beiden. Partijen zijn onder meer het volgende overeengekomen:
‘- Hoofdverblijfplaats zal altijd bij [gedaagde] ( [gedaagde] , vzr.) zijn. Beiden
hebben afgesproken om in de toekomst de woonverblijven in Amsterdam of
omstreken te hebben, zodat de reisafstand niet te groot wordt.
- Ieder zal [naam kind] om de week in (zijn) huis nemen. Wanneer de ouder van die
week niet in staat is om de zorg te dragen, dan verblijft [naam kind] bij opa en/of
oma(‘s), het kinderdagverblijf, een selectie vrienden of eigen partner. Voor
extra dagen kan er aan de andere ouder gevraagd worden om de zorg over
te nemen.’
2.6.
Partijen hebben gedurende een jaar uitvoering gegeven aan voornoemde week op week af regeling.
2.7.
Nadat [gedaagde] in december 2022 zijn bezwaren had geuit tegen opvang van [naam kind] door anderen dan [eiser] in de week dat [naam kind] bij [eiser] was, hebben partijen in onderling overleg afgesproken dat [eiser] tweewekelijks aan [gedaagde] op basis van zijn werkrooster zal laten weten wanneer hij [naam kind] bij zich kan hebben, waarbij uitgangspunt is dat [naam kind] op 50-50 basis bij partijen is.
2.8.
Eind november 2023 heeft [gedaagde] de omgang stopgezet, kort gezegd, omdat [eiser] zich niet zou houden aan de afspraak [naam kind] niet door anderen op te laten vangen en [naam kind] , gelet op de leefwijze van [eiser] , onveilig bij [eiser] zou zijn. [eiser] is daarop dit kort geding gestart, waarna de omgang in onderling overleg is hervat en [naam kind] weer ongeveer de helft van de tijd bij [eiser] is geweest.
2.9.
In een gesprek op 5 maart 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] kenbaar gemaakt dat hij tijdelijk (minimaal voor één jaar) met [naam kind] naar [woonplaats] zal verhuizen.
2.10.
Bij e-mail van 11 maart 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht dat [naam kind] de week ervoor voor het laatst naar de voorschool in Amsterdam is geweest, waar hij twee dagen per week naar toe ging, en dat hij vanaf de aankomende periode in Antwerpen naar de voorschool zal gaan. Het is de bedoeling dat [naam kind] daar, met een opbouw, vijf dagen per week naar toe zal gaan.
2.11.
[gedaagde] verblijft in [woonplaats] met [naam kind] in een woning van zijn ouders. Zijn woning in [woonplaats] heeft hij voor tenminste een jaar verhuurd.
2.12.
[gedaagde] heeft voorgesteld om de omgangsregeling tussen [eiser] en [naam kind] te wijzigen in een regeling waarbij [naam kind] om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij [eiser] is. [eiser] heeft dat voorstel afgewezen.
2.13.
[eiser] heeft bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin hij verzoekt:
I. een omgangsregeling vast te stellen waarbij [naam kind] om de week van maandag 10.00 uur tot de daaropvolgende maandag 10.00 uur bij hem verblijft, op straffe van een dwangsom;
II. te bepalen dat [eiser] voortaan samen met [gedaagde] het gezag over [naam kind] uitoefent; en (voorwaardelijk):
III. [gedaagde] te verbieden met [naam kind] naar [woonplaats] te verhuizen dan wel te gebieden met hem terug te verhuizen naar (of in de buurt van) Amsterdam dan wel de hoofdverblijfplaats van [naam kind] bij [eiser] vast te stellen, al dan niet tijdelijk voor de periode dat [gedaagde] nog niet over (vervangende) woonruimte beschikt in (de buurt van) Amsterdam.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert na eisvermeerdering, samengevat:
I. [gedaagde] op straffe van een dwangsom te bevelen uitvoering te geven aan de overeengekomen zorgregeling waarbij [naam kind] om de week van maandag 10.00 uur tot de daaropvolgende maandag om 10.00 uur bij [eiser] zal zijn, dan wel een andere omgangsregeling vast te stellen;
II. [gedaagde] op straffe van een dwangsom te bevelen met [naam kind] terug te verhuizen naar (de omgeving van) Amsterdam, dan wel te verbieden met [naam kind] naar België of een ander land te verhuizen en/of daar tijdelijk te verblijven en/of zich daar in te schrijven;
III. [gedaagde] (in het petitum van de dagvaarding staat abusievelijk eiser) te veroordelen in de proceskosten en nakosten.
3.2.
[eiser] heeft daartoe gesteld - kort gezegd - dat [gedaagde] hem steeds verder uit het leven van [naam kind] weert, terwijl partijen altijd voor ogen hebben gehad dat zij als gelijkwaardige ouders voor [naam kind] zouden zorgen. Toen bleek dat het niet meer mogelijk was om [naam kind] gezamenlijk te adopteren heeft [eiser] de adoptie aan [gedaagde] gegund en hebben partijen over de invulling van het gelijkwaardige ouderschap in januari 2022 afspraken gemaakt. Onder meer is afgesproken dat [naam kind] de ene week bij [eiser] zou verblijven en de andere week bij [gedaagde] . Na een jaar wilde [gedaagde] daar niet meer aan mee werken omdat hij niet wilde dat de nieuwe partner van [eiser] voor [naam kind] zorgde als [eiser] , die purser is, er niet was. Hoewel in de tussen partijen gemaakte afspraken was voorzien in de opvang door anderen, is [eiser] ermee akkoord gegaan om tweewekelijks op basis van zijn werkrooster eerst aan [gedaagde] voor te stellen wanneer hij [naam kind] bij zich kon/wilde hebben. [gedaagde] bepaalt dan vervolgens of dat kan. Het is daardoor regelmatig voorgekomen dat [naam kind] minder vaak bij [eiser] was dan op basis van een 50-50 verdeling. De laatste twee maanden komt de omgang wel neer op een 50-50 verdeling maar door de verhuizing van [gedaagde] met [naam kind] naar Antwerpen zal dat niet meer mogelijk zijn. Een weekendregeling zoals door [gedaagde] is voorgesteld is volgens [eiser] niet in het belang van [naam kind] , evenals de verhuizing naar [woonplaats] . [naam kind] is daarmee door [gedaagde] uit zijn vertrouwde omgeving in [woonplaats] weggerukt. Niet alleen zal hij [eiser] (en zijn familie en partner) minder zien maar ook is hij op stel en sprong van zijn voorschool in Amsterdam gehaald en op een voorschool in [woonplaats] gezet, waar hij (uiteindelijk) 5 dagen per week naar toe zal moeten, terwijl hij gewend is om niet meer dan twee dagen naar de voorschool te gaan. Ook betekent de (tijdelijke) verhuizing naar [woonplaats] dat [naam kind] zijn plekje op de door partijen uitgekozen basisschool in Amsterdam kwijt zal raken. Ten slotte zorgt de verhuizing voor een aanzienlijke reistijd voor [naam kind] en [eiser] , die bovendien niet altijd de beschikking over een auto heeft, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Primair heeft hij aangevoerd dat de vordering tot terugverhuizen niet geschikt is om in kort geding te behandelen omdat [eiser] geen juridisch ouder is. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1513) kan weliswaar ook in geval van eenhoofdig gezag een terugverhuisgebod worden opgelegd indien een ouder niet voldoet aan de verplichting omgang met de andere ouder te bevorderen, maar dat arrest is hier niet van toepassing omdat [eiser] geen juridische ouder is maar een persoon die een nauwe persoonlijke betrekking met [naam kind] heeft. Bovendien zal [gedaagde] de omgang tussen [eiser] en [naam kind] blijven bevorderen. Ook ontbreekt volgens [gedaagde] het spoedeisend belang omdat er reeds een bodemprocedure loopt. Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat het hem, nu hij alleen het gezag heeft, vrij staat om zich met [naam kind] te vestigen waar hij wil. Hij heeft de beslissing om (tijdelijk) in [woonplaats] te gaan wonen uit financieel oogpunt genomen. Door een terugval in inkomsten, een belastingschuld en hoge advocaatkosten heeft hij financiële problemen gekregen die hij onder andere het hoofd wil bieden door tijdelijk gratis in een woning van zijn ouders te verblijven en zijn eigen woning in [woonplaats] onder te verhuren. Hij weet nog niet hoelang hij in [woonplaats] zal blijven maar hij gaat uit van minimaal een jaar.
De huidige omgangsregeling is nu niet meer uitvoerbaar en een regeling waarbij [naam kind] om het weekend bij [eiser] is een passende regeling, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Geschil
4.1.
[gedaagde] vordert na wijziging van eis en intrekking van de overige aanvankelijk in reconventie ingestelde vorderingen, te bepalen dat voorlopig tussen [eiser] en [naam kind] een omgangsregeling zal gelden waarbij [naam kind] om het weekend van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur bij [eiser] zal zijn, waarbij [eiser] [naam kind] op vrijdag in [woonplaats] ophaalt en [gedaagde] [naam kind] op zondag in [woonplaats] ophaalt.
4.2.
[eiser] voert verweer.
4.3.
De stellingen van partijen komen overeen met hetgeen zij in conventie naar voren hebben gebracht.
Beoordeling
5.1.
De vorderingen in conventie en reconventie komen, gelet op hun samenhang, in aanmerking voor een gezamenlijke beoordeling.
5.2.
Op het moment van dagvaarden door [eiser] op 12 december 2023 woonden partijen en [naam kind] in Nederland, waardoor [naam kind] (ondanks zijn op dit moment geldende feitelijke verblijf in België) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Bovendien is de vordering ook al ter zitting van de voorzieningenrechter op 13 december 2023 behandeld, waarbij de zaak is aangehouden in afwachting van een mediationtraject.
De eisvermeerdering betreffende de terugverhuizing dateert van na de verhuizing van [naam kind] naar België, maar hangt voldoende samen met de initiële, aangehouden vordering van [eiser] betreffende de omgangsregeling. De vraag of [gedaagde] met [naam kind] terug moet verhuizen naar [woonplaats] en welke omgangsregeling dient te gelden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De verzoeken zijn tijdens de tweede mondelinge behandeling ook uitvoerig besproken, waarbij partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunten toe te lichten.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is, is op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht van toepassing.
5.3.
De Raad voor de Kinderbescherming maakt zich grote zorgen over het feit dat [gedaagde] met [naam kind] naar [woonplaats] is verhuisd. Volgens de Raad is het voor [naam kind] , als 3,5 jarig adoptiekind voor wie het hechtingsproces extra belangrijk is, zeer schadelijk om hem uit zijn vertrouwde omgeving in [woonplaats] weg te halen. Het gaat daarbij volgens de Raad niet alleen om het wegvallen van de grote rol die [eiser] in het leven van [naam kind] heeft maar ook om de wijziging van zijn voorschool en het achterlaten van zijn vriendjes. De Raad vindt het ook niet in het belang van [naam kind] dat hij op zijn leeftijd al vijf dagen per week naar school gaat, hetgeen de school in Antwerpen - zo zou blijken uit de website van de school - wel verplicht stelt. De Raad mist in de beslissing van [gedaagde] om naar [woonplaats] te verhuizen of hij daarbij het belang van [naam kind] heeft betrokken. Het lijkt erop dat [gedaagde] met gebruikmaking van de huidige gezagspositie de rol van [eiser] steeds kleiner wil maken en hem zelfs buiten spel wil zetten. Dat [eiser] gezamenlijk gezag wil begrijpt de Raad dan ook. De Raad adviseert om een onderzoek door de Raad te gelasten naar de situatie van [naam kind] .
5.4.
[gedaagde] heeft als enige het gezag over [naam kind] . In beginsel heeft hij dan ook geen toestemming nodig van [eiser] voor een verhuizing. Ook bij eenhoofdig gezag bestaat echter een grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (art. 1:247 lid 3 BW). Op grond van art. 8 EVRM is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een bevel aan deze ouder om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn.
5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat tussen [eiser] en [naam kind] family life bestaat, als bedoeld in artikel 8 EVRM. Partijen hebben altijd de intentie gehad om samen ouders te zijn voor [naam kind] en daar tot voor kort ook naar gehandeld. [eiser] staat in een nauwe persoonlijke betrekking tot [naam kind] . Dat maakt dat [naam kind] op grond van artikel 1:377a BW recht heeft op omgang met [eiser] . Partijen hebben afgesproken dat [naam kind] zijn hoofdverblijf heeft bij [gedaagde] maar ook dat zij in de toekomst de woonverblijven in Amsterdam of omstreken zullen hebben, zodat de reisafstand niet te groot wordt. Partijen woonden tot voor kort op loopafstand van elkaar. [naam kind] heeft tot begin maart 2024 zeer regelmatige omgang met [eiser] gehad. Deze omgang, waarover partijen afspraken hebben gemaakt en die erop neer komt dat beide vaders [naam kind] ongeveer even vaak zien, is door de plotselinge verhuizing van [gedaagde] naar [woonplaats] ernstig verstoord. De verhuizing is niet in overeenstemming met de gemaakte afspraken over het woonverblijf. De verhuizing lijkt op een overhaaste beslissing van [gedaagde] , ingegeven door financiële omstandigheden en zonder rekening te houden met het recht van [naam kind] op omgang met [eiser] . Van enig overleg met [eiser] en een zorgvuldige voorbereiding is geen sprake geweest. [gedaagde] presenteert het vervolgens als een voldongen feit dat de omgang van [naam kind] met [eiser] als gevolg van zijn verhuizing moet worden teruggebracht naar een weekend per 14 dagen, terwijl ze elkaar tot voor kort zeer regelmatig zagen. Met name voor adoptiekinderen is de hechting aan ouders en personen tot wie zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan in de eerste levensjaren van groot belang. Daar komt bij dat [naam kind] nog jong is en [gedaagde] van hem verwacht dat hij in [woonplaats] 5 dagen per week naar school gaat. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze verhuizing niet in het belang is van [naam kind] .
5.6.
Terugverhuizen is echter een verstrekkend middel en zal bij de praktische uitvoering tot problemen leiden, nu [gedaagde] naar eigen zeggen zijn woning voor een jaar heeft verhuurd en daar dus niet naar kan terugkeren. Dit kan leiden tot onzekerheid en spanningen bij [naam kind] , die door alle veranderingen die de verhuizing met zich heeft gebracht juist belang heeft bij duidelijkheid en structuur. De beslissing daarover zal daarom aan de bodemrechter worden overgelaten, die ook zal oordelen over het verzoek tot gezamenlijk gezag en andere verzoeken. De primair gevorderde omgangsregeling is een minder ver strekkende beslissing, die de situatie zoals die was voorafgaand aan de verhuizing naar [woonplaats] zoveel mogelijk in stand laat. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de omgangsregeling zoals die tussen partijen in januari 2022 is overeengekomen (om en om een week bij een van partijen) en niet bij de later gemaakte afspraak dat [eiser] tweewekelijks op basis van zijn werkrooster een voorstel doet waarmee [gedaagde] vervolgens al dan niet akkoord gaat. Dat brengt teveel onduidelijkheden met zich mee en is bovendien niet aan te merken als gelijkwaardig ouderschap. Dat de week op week af regeling kan betekenen dat [naam kind] ook wel door anderen wordt opgevangen dan door [eiser] is geen gegronde reden om hiervan af te wijken. Partijen hebben daar bij het overeenkomen van de week op week af regeling nu juist rekening mee gehouden en [naam kind] wordt bij [gedaagde] ook regelmatig door anderen opgevangen.De oorspronkelijk overeengekomen omgangsregeling is in de huidige omstandigheden het meest in het belang van [naam kind] . In plaats van op de maandag wordt de wisseldag op vrijdag bepaald, zodat deze aansluit op het weekend, wat iedereen meer rust geeft. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat de [woonplaats] school waarop [naam kind] staat ingeschreven, niet streng vasthoudt aan verplichte aanwezigheid op alle schooldagen, in tegenstelling tot wat er op de website van de school staat vermeld. Mocht dat toch anders zijn, dan zal [gedaagde] voor de tijd dat [naam kind] bij hem in [woonplaats] is een ander type school of opvang voor [naam kind] moeten zoeken. [naam kind] wordt pas in november 2024 vier jaar en is (in België) pas vanaf 5 jaar leerplichtig.
5.7.
[gedaagde] heeft zich in deze procedure aanvankelijk op het standpunt gesteld dat [naam kind] vanwege diens levensstijl onveilig is bij [eiser] . Dit heeft hij echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Op dit standpunt is hij overigens bij de voortzetting van het kort geding niet meer terug gekomen.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
beveelt [gedaagde] , totdat door een rechter anders is beslist dan wel partijen in onderling overleg anders overeenkomen, uitvoering te geven aan de zorgregeling waarbij [naam kind] om de week van vrijdag 10.00 uur (ingaande op vrijdag 26 april 2024) tot de daaropvolgende vrijdag om 10.00 uur, dan wel op een ander met beider instemming te bepalen vast wisselmoment op de vrijdag, bij [eiser] zal zijn, waarbij [gedaagde] [naam kind] moet brengen naar [woonplaats] en [eiser] hem terug moet brengen naar [woonplaats] ,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om, na betekening van dit vonnis, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij niet meewerkt aan de in 6.1. vermelde omgangsregeling, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.3.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.6.
weigert de gevraagde voorziening,
6.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in conventie en reconventie
6.8.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam in het kader van de door de [eiser] aanhangig gemaakte bodemprocedure (C/13/748002 / FA RK 24-1802) advies uit te brengen over de vraag welke gezagsvoorziening en welke zorgregeling het meest in het belang van [naam kind] is,
6.9.
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toezenden.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2024.
type: BPWB
coll: EB