Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:218
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,382 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/289191-23
Datum uitspraak: 17 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 3 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 augustus 2023 door the Circuit Court in Kalisz (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 januari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, advocaat in ’s- Gravenhage, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence of 2 November 2021 re. III K 51/19 issued by the Circuit Court in Kalisz, maintained by a sentence of 17 February 2023 re. II AKa 127/22 issued by the Appeal Court in Lodz.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
De raadsvrouw heeft betoogd dat er een cassatieprocedure is gestart in Polen en heeft daartoe stukken overgelegd. Hieruit komt naar voren dat op 14 november 2023 cassatie is ingesteld.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de ingestelde cassatie niet afdoet aan het feit dat er een onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag ligt aan het EAB. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat cassatie naar Pools recht een buitengewoon rechtsmiddel is dat alleen openstaat tegen een onherroepelijk vonnis van een hof van beroep. Aan het vereiste van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW is al voldaan, indien het EAB een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke titel voor vrijheidsbeneming vermeldt, iets wat hier het geval is.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft betoogd dat overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet weet of hij de adresinstructie heeft getekend en of deze zich ook over het proces in hoger beroep uitstrekte. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij aanwezig was bij het proces in hoger beroep, maar dat hem de datum van de uitspraak niet is aangezegd. Ook was hij niet aanwezig bij de uitspraak.
De rechtbank overweegt dat als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dat dan de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Uit de aanvullende informatie van 8 december 2023 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
In het EAB en de voornoemde aanvullende informatie van 8 december 2023 staat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces in hoger beroep dat tot de beslissing heeft geleid, hetgeen door hem zelf ook is bevestigd op zitting. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet aan de orde.
4Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit I aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit I waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten II tot en met IV niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
valsheid in geschrift;
oplichting;
witwassen.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad, omdat een rechter die is benoemd door de Poolse Raad voor de Rechtspraak onderdeel uitmaakte van één van de zittingscombinaties. Op dit moment worden veel zaken teruggewezen naar de rechtbanken om opnieuw te worden bekeken.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon hiermee geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak. Daarmee is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 225, 326 en 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Kalisz (Polen) zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).