Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2024-04-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:2168
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/6412 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen RGV Hotel Services B.V., uit Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. M.S.M. Nolte), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( [gemachtigde verweerder] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een bestuurlijke boete van € 6.500, vanwege overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). 2. Naar aanleiding van een melding van een voormalig werknemer van eiseres over onderbetaling van het loon, hebben inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie op 13 april 2022 een administratieve controle verricht. Daarbij is vastgesteld dat eiseres een werknemer over de maand september 2021 bruto € 1.112,51 te weinig minimumloon heeft uitbetaald , over de periode 1 juli 2021 tot en met 31 augustus 2021 een bedrag van € 585,- netto te weinig loon heeft betaald en over de periode 1 mei 2021 tot en met 30 september 2021 bruto € 544,80 te weinig minimumvakantiebijslag heeft uitbetaald . 3. Op 17 maart 2023 is aan eiseres de boete opgelegd. Met het bestreden besluit van 18 september 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven. 4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 5. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Zijn de beleidsregels onevenredig? 6. Eiseres betoogt dat de aan haar opgelegde bestuurlijke boete onevenredig is. Bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete is de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wetminimumloon en minimumvakantiebijslag 2018 (de beleidsregel) toegepast. Volgens eiseres is deze beleidsregel onredelijk, omdat hierin onvoldoende rekening wordt gehouden met de verschillende gradaties van verwijtbaarheid. In de beleidsregel wordt wel rekening gehouden met de mate en duur van onderbetaling, maar dit hangt niet (zonder meer) samen met verwijtbaarheid. Eiseres verwijst hier bij naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2022 , waarin werd geoordeeld dat in de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2017 (Wav) onvoldoende onderscheid werd gemaakt naar de mate van verwijtbaarheid van de overtreding. 7. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de boetesystemen voor de Wav en de Wml niet vergelijkbaar zijn. De Wav ging uit van één standaard boetetarief per overtreding, terwijl in de Wml aan een overtreding verschillende boetetarieven gekoppeld zijn. Met de verschillende tarieven wordt er rekening mee gehouden dat er een verschil is tussen de werkgever die systematisch gedurende een langere tijd en/of met grotere onderbetalingen de Wml niet naleeft en de werkgever bij wie de overtreding meer incidenteel van aard en/of van geringere omvang is. Voor wat betreft artikel 7 van de Wml heeft de Afdeling geoordeeld dat het systeem niet onredelijk is. Ten aanzien van overtredingen van andere artikelen heeft de Afdeling recent nog geoordeeld dat het boetebeleid niet onredelijk is. De minister verwijst ook nog naar een uitspraak van rechtbank Den Haag van 13 juli 2023 , waarin is geoordeeld is dat de differentiatie in verwijtbaarheid is verdisconteerd in de boetebedragen van de Wml. Ook heeft de minister verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023 , waarin is geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om de differentiatie van boetenormbedragen naar de mate van verwijtbaarheid ook toe te passen op overtredingen van artikel 15 van de Wav. Bovendien kan de minister de boete matigen op grond van artikel 5:46 van de Awb. 8. De rechtbank stelt voorop dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 februari 2015 ), uit de arresten van het Europees Hof voor de Eiseres wijst erop dat zij de standpunten zoals verwoord in haar beroepsgronden, over de onevenredigheid en over de verminderde verwijtbaarheid, in bezwaar ook al had aangevoerd, maar dat de minister hier ten onrechte niet of onvoldoende op in is gegaan. Zo heeft de minister naar ‘bestendige jurisprudentie’ verwezen, maar niet gespecificeerd welke uitspraken dit betreft. 16. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaargronden voldoende zijn besproken. In artikel 3:47 van de Awb is bovendien geen verplichting opgenomen om naar specifieke jurisprudentie te verwijzen. Moet de boete gematigd worden vanwege tijdsverloop? 17. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de boete had moeten worden gematigd vanwege het forse tijdsverloop. De laatste ambtshandeling was op 22 juni 2022 en het boeterapport is ruim drie maanden later ingestuurd, namelijk op 27 september 2022. Bijna vier maanden later is pas de kennisgeving verstuurd, namelijk op 20 januari 2023. Op 17 maart 2023 is de boete opgelegd. Dit is bijna zes maanden na het insturen van het boeterapport, terwijl artikel 5:51 van de Awb voorschrijft dat een bestuursorgaan binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport beslist over het opleggen van een bestuurlijke boete. In de rechtspraak worden gevolgen verbonden aan de overschrijding van deze termijn. Eiseres heeft onder andere verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023 . De redenering van de minister dat twee keer sprake is van een kleine overschrijding en dat er daarom geen aanleiding is om te matigen, vindt eiseres in strijd met artikel 5:51 van de Awb. Hierdoor werd er wel tijd gerekt, waardoor eiseres langer in onzekerheid zat. Daar moet een consequentie aan worden verbonden. 18. De minister wijst op een uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021 , waarin is geoordeeld dat hoewel de dertienwekentermijn is overschreden, geen aanleiding is om dit te verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete. Daarbij nam de Afdeling in aanmerking dat het bestuursorgaan appellante had geïnformeerd dat het waarschijnlijk niet mogelijk was om het bestuursrechtelijke traject binnen dertien weken af te ronden en dat appellante de gelegenheid kreeg om een zienswijze in te dienen. 19. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen consequenties moeten worden verbonden aan de overschrijding van de termijn van artikel 5:51 van de Awb. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat eiseres inderdaad direct is geïnformeerd dat de termijn waarschijnlijk niet gehaald zou worden. De hoogte van de boete en de mate van overschrijding zijn bovendien niet dusdanig dat een matiging noodzakelijk moet worden geacht, zoals in de uitspraak waar eiseres naar verwijst. Moet de boete gematigd worden vanwege inspanningen ter voorkoming van herhaling? 20. Eiseres betoogt dat de bestuurlijke boete gematigd moet worden, omdat zij na de constatering van de overtreding inspanningen heeft verricht om toekomstige overtredingen te voorkomen. Zij heeft namelijk het SNF-keurmerk behaald. Dit keurmerk moet behaald worden om huur te mogen inhouden op loon. Aangezien de overtreding ziet op het ontbreken van een SNF-keurmerk, was het behalen hiervan een relevante inspanning en ontwikkeling. 21. Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar heeft eiseres inspanningen verricht, maar alleen het behalen voor een keurmerk is onvoldoende om toekomstige overtreding met betrekking tot het inhouden van huur op loon te voorkomen. Ook de werkwijze moet aangepast worden en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze dit gedaan heeft. Bovendien heeft eiseres ten aanzien van de twee andere overtredingen geen inspanningen verricht om toekomstige overtredingen te voorkomen. Moet de boete gematigd worden omdat het de eerste overtreding was? 22. Eiseres voert tot slot aan dat het feit dat zij nooit eerder arbeidsrechtelijke wetgeving heeft overtreden, moet leiden tot matiging van de boete. Eiseres heeft dit in bezwaar ook aangevoerd. De minister heeft de bezwaargrond ver