Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:2165
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,286 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.104127.21
Datum uitspraak: 4 april 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1979,
verblijvende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kristic, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.F. Ronday, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (schuld)witwassen van € 24.900,-.
De tenlastelegging is op de zitting van 21 maart 2024 gewijzigd. De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
De tenlastegelegde periode eindigt op ‘heden’. De rechtbank begrijpt dit zo dat de periode eindigt op 11 augustus 2021, te weten de dag waarop verdachte in dit onderzoek is aangehouden.
3Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte schuldwitwassen wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een geldboete van € 10.000,-.
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken, omdat niet is bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig was.
4Vrijspraak
De rechtbank vindt niet bewezen verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte moet worden vrijgesproken. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
De rechtbank kan op basis van het dossier vaststellen dat op 2 juli 2020 op de bankrekening van [naam holding] een bedrag van € 34.901,- wordt bijgeschreven. Dit betreft een voorschot in verband met een tegemoetkoming in het kader van een coronasteunmaatregel (Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid; NOW). Dit geldbedrag is uit misdrijf afkomstig, omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) door oplichting is bewogen tot de afgifte van dit voorschot. Nadat dit geldbedrag is bijgeschreven wordt op 2 juli 2020 een geldbedrag van € 24.900,- overgemaakt naar de bankrekening van verdachte en dezelfde dag wordt € 24.000,- doorgeboekt naar de bankrekening van [naam bedrijf BV] Het resterende bedrag van € 900,- wordt in de dagen daarna vanaf de bankrekening van verdachte uitgegeven.
Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte kan de rechtbank vaststellen dat het verdachte is geweest die het geldbedrag van € 24.900,- op zijn bankrekening heeft ontvangen, het bedrag van € 24.000,- heeft doorgeboekt en het restantbedrag heeft uitgegeven.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen moet komen vast te staan dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte ontkent dat hij hiervan op de hoogte was. Verdachte stelt dat hij al langere tijd geld te goed had van [persoon], de eigenaar/bestuurder van [naam holding] en dat hij in dat verband dit geld ontving.
Het betalen van het bedrag van € 24.000,- door [persoon] had te maken met een betaling voor een auto die hij nog moest doen. In de kern is de verklaring hierover consequent, en ook de omschrijving bij de overboeking van de € 24.900,- wijst hierop (Terugbetaling voorgeschoten kosten). Ook in de richting van de ABN Amro-bank wijst verdachte in augustus 2020 al op het gegeven dat [persoon] het bedrag naar hem overmaakte in verband met een lening. De omstandigheid dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat de lening voor de auto een bedrag van € 18.000,- betrof en het resterende bedrag rente over deze lening was, doet aan de kern van zijn verklaring niet af. Tegen deze achtergrond bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte wel op de hoogte was van de criminele herkomst van het geld of dat er redenen waren dat hij dit redelijkerwijs moest vermoeden.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Eichperger, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en B. Kuppens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2024.
[...]