Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:1858
Civiel recht
Kort geding
4,451 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/746332 / KG ZA 24-102 EAM/MvG
Vonnis in kort geding van 19 maart 2024
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
MCCOURT GLOBAL SPORTS & MEDIA LLC,
gevestigd te New York (Verenigde Staten),
eiseres bij dagvaarding van 23 februari 2024,
advocaat mr. A.F.J.A. Leijten te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam.
Partijen zullen hierna McCourt en [gedaagde] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 5 maart 2024 heeft McCourt de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. McCourt heeft producties en een pleitnotitie in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op heden.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- aan de zijde van McCourt: mr. H. Oude Elferink, deurwaarder, mr. Leijten met kantoorgenoten mr. S.A.J. Hulsing en mr. F. van Schendel;
- aan de zijde van [gedaagde] : mr. De Groot met kantoorgenoot mr. C.J.S. de Bruin.
Feiten
2.1.
McCourt is een vermogensbeheer- en investeringsfirma met belangen in onder meer vastgoed, financiering, sport en technologie.
2.2.
[gedaagde] is enig bestuurder en uiteindelijk begunstigde (UBO) van Tennor Holding B.V. (hierna: Tennor).
2.3.
McCourt en Tennor zijn sinds 2020 verwikkeld in een geschil, als gevolg waarvan McCourt uit hoofde van meerdere executoriale titels meermaals beslag heeft gelegd op aandelen die door Tennor worden gehouden in vijftien dochtervennootschappen en (indirect) in negen kleindochtervennootschappen.
2.4.
Bij beschikking van 19 mei 2022 heeft deze rechtbank aanvullende maatregelen bevolen ten aanzien van, voor zover van belang, Tennor, de dochtervennootschappen en [gedaagde] om hun volledige medewerking aan het executietraject van de aandelen in de dochtervennootschappen te verzekeren en te voldoen aan alle informatieverzoeken die in dat verband door de deurwaarder worden gedaan, op straffe van dwangsommen met een maximum van € 5 miljoen. In r.o. 4.21 van die beschikking staat het volgende:
“Het verzoek zal als hierna te melden worden toegewezen. Vast staat dat [gedaagde] en (…) in hun hoedanigheid van bestuurders van Tennor Holding (en daarmee indirect van de dochtervennootschappen) het als enigen in hun macht hebben om ervoor te zorgen dat Tennor Holding en de dochtervennootschappen uitvoering geven aan de beschikking van 14 januari 2021 en aan onderhavige beschikking. Vast staat ook dat tot dusverre, zoals door de deurwaarder ter zitting nog is toegelicht, door Tennor Holding en de dochtervennootschappen geen enkele opvolging is gegeven of medewerking is verleend aan verzoeken van de deurwaarder. Dat tot op heden geen uitvoering is gegeven aan hetgeen in de beschikking van 14 januari 2021 is bepaald, is dan ook aan [gedaagde] en (…) te wijten; [gedaagde] en (…) hebben ook niet betwist dat zij hebben bewerkstelligd dat Tennor Holding en (via Tennor Holding) de dochtervennootschappen hun verplichtingen uit hoofde van de beschikking van 14 januari 2021 niet zijn nagekomen. Dat zij na de beschikking van 14 januari 2021 getracht hebben tot een herstructurering van de totale schuldenpositie van het concern te komen, doet aan genoemde op Tennor Holding en de dochtervennootschappen rustende verplichtingen geen afbreuk. Het voorgaande vormt voldoende aanleiding om [gedaagde] en (…) in persoon actief te verplichten om te bewerkstelligen dat Tennor Holding en de dochtervennootschappen aan hun verplichtingen die zijn neergelegd in deze beschikking te voldoen. De aan hen op te leggen dwangsom zal worden gematigd als hierna te melden.”
2.5.
Op 15 juni 2022 is de beschikking van 19 mei 2022 aan Tennor, de dochtervennootschappen en [gedaagde] betekend. Aan informatieverzoeken van de deurwaarder hebben zij geen gehoor gegeven en het maximale bedrag aan dwangsommen is verbeurd.
2.6.
Op 25 mei 2023 heeft McCourt deze rechtbank verzocht de aandelen van Tennor in de dochtervennootschappen executoriaal te mogen verkopen. Op 23 november 2023 heeft deze rechtbank dat verlof verleend. In r.o. 4.12 en 4.14 van die beschikking staat, voor zover van belang, het volgende:
“4.12. McCourt verzoekt de rechtbank – samengevat – [gedaagde] en (…) in persoon te bevelen om te bewerkstelligen dat Tennor Holding en de dochtervennootschappen tijdig voldoen aan de in de te wijzen beschikking gegeven bevelen.
4.14.
Dit verzoek van McCourt wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld. [gedaagde] en (…) hebben het in hun hoedanigheid van bestuurders van Tennor Holding (en daarmee indirect van de dochtervennootschappen) als enigen in hun macht om ervoor te zorgen dat Tennor Holding uitvoering geeft aan de beschikking van 19 mei 2022 en de onderhavige beschikking. Verder staat vast dat Tennor Holding en de dochtervennootschappen dat niet hebben gedaan. Dit alles vormt voldoende aanleiding om [gedaagde] en (…) te bevelen om te bewerkstelligen dat Tennor Holding en de dochtervennootschappen voldoen aan hun verplichtingen die zijn neergelegd in deze beschikking.”
2.7.
Op 30 november en 1 december 2023 heeft de deurwaarder die beschikking betekend aan Tennor, de dochtervennootschappen en [gedaagde] , met het bevel om binnen vijf dagen de gevraagde informatie aan de deurwaarder te verstrekken. Aan dat informatieverzoek is geen gehoor gegeven.
2.8.
Op 9 mei 2023 heeft McCourt beslag gelegd op de aandelen van de dochtervennootschappen in de kleindochtervennootschappen. Op 8 juni 2023 heeft McCourt de rechtbank verzocht de aandelen van de dochtervennootschappen in de kleindochtervennootschappen executoriaal te mogen verkopen. Bij beschikking van 4 januari 2024 heeft deze rechtbank dat verlof verleend. In die beschikking staan (nagenoeg) dezelfde overwegingen als hiervoor in 2.6. geciteerd. Op 8 januari 2024 is die beschikking betekend aan Tennor, de dochtermaatschappijen, kleindochtermaatschappijen en [gedaagde] met het verzoek om binnen vijf dagen de relevantie informatie aan de deurwaarder te verstrekken. Aan dat informatieverzoek is geen gehoor gegeven.
Geschil
3.1.
McCourt vordert:
I. te bepalen dat onderdeel 5.16 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2022 waarin [gedaagde] is bevolen te bewerkstelligen dat Tennor en elk van de dochtervennootschappen voldoen (en blijven voldoen) aan onderdelen 5.11 tot en met 5.15 van het dictum van die beschikking, uitvoerbaar is bij onmiddellijke lijfsdwang tegen [gedaagde] en verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging te verlenen op grond van artikel 591 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
II. te bepalen dat onderdeel 5.14 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2023 waarin [gedaagde] is bevolen te bewerkstelligen dat Tennor en elk van de dochtervennootschappen voldoen (en blijven voldoen) aan onderdelen 5.8 tot en met 5.13 van het dictum van die beschikking, uitvoerbaar is bij onmiddellijke lijfsdwang tegen [gedaagde] en verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging te verlenen op grond van artikel 591 lid 1 Rv;
III. te bepalen dat onderdeel 5.17 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2024 waarin [gedaagde] is bevolen te bewerkstelligen dat Tennor en elk van de dochtervennootschappen en de kleindochtervennootschappen voldoen (en blijven voldoen) aan onderdelen 5.7 tot en met 5.15 van het dictum van die beschikking, uitvoerbaar is bij onmiddellijke lijfsdwang tegen [gedaagde] en verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging te verlenen op grond van artikel 591 lid 1 Rv;
IV. te bepalen dat dit vonnis op alle dagen en uren ten uitvoer mag worden gelegd en in dat kader op alle dagen en uren exploten mogen worden gedaan;
V. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Uitgangspunt is dat rechterlijke uitspraken moeten worden nagekomen en dat niet geduld kan worden dat personen niet aan die verplichting voldoen. Toepassing van lijfsdwang om tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak te komen dient daarbij, gelet op het vrijheidsbenemende karakter van dit dwangmiddel, echter alleen te worden ingezet als laatste redmiddel en is alleen aangewezen indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt.
4.2.
Ongeveer twintig minuten voor aanvang van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde] via Dropbox informatie gestuurd aan de advocaat van McCourt.
4.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij hemel en aarde heeft bewogen om de informatie beschikbaar te krijgen en het niet mogelijk was deze eerder aan McCourt te sturen. Met het verstrekken van de informatie heeft [gedaagde] uitvoering gegeven aan de veroordelingen in de beschikkingen. De deurwaarder heeft een opsomming gegeven van de informatie die hij nodig heeft voor het executietraject en heeft [gedaagde] gevraagd, voor zover informatie niet aanwezig is, dit te verklaren. De gevraagde informatie en verklaring heeft [gedaagde] gegeven. Informatie die er niet is, kan hij niet verstrekken. Als McCourt meent dat niet is voldaan aan de beschikkingen of er informatie ontbreekt, moet zij maar opnieuw naar de voorzieningenrechter om lijfsdwang te vorderen. Voor eventuele vragen en/of informatieverzoeken die opkomen naar aanleiding van de verstrekte informatie kan geen lijfsdwang worden opgelegd, aldus steeds [gedaagde] .
4.4.
McCourt stelt dat zij executoriale titels op Tennor heeft voor een bedrag van € 76 miljoen, op de dochtervennootschapen voor een bedrag van € 75 miljoen en op [gedaagde] voor een bedrag van € 46 miljoen. Behalve de aandelen in de dochtervennootschappen en kleindochtervennootschappen zijn McCourt geen andere vermogensbestanddelen bekend die zich lenen voor verhaal. [gedaagde] maakt de verkoop van de aandelen doelbewust onmogelijk. Bij [gedaagde] bestaat een patroon van het aangaan van verplichtingen om die vervolgens niet na te komen. [gedaagde] wil de executie voorkomen, maakt daarover afspraken met McCourt en komt die vervolgens niet na. Met lijfsdwang wil McCourt hieraan een einde maken. [gedaagde] weigert simpelweg gehoor te geven aan de informatieverzoeken van de deurwaarder en laat de dwangsommen maximaal oplopen. Het belang van McCourt dat [gedaagde] de op hem rustende informatieverplichtingen nakomt zodat tot verkoop van de aandelen kan worden overgegaan, weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om gevrijwaard te blijven van lijfsdwang. Doordat [gedaagde] zo kort voor aanvang van de zitting informatie heeft gestuurd, zonder een afdoende verklaring hiervoor, is McCourt niet in staat geweest die informatie inhoudelijk te beoordelen. Of [gedaagde] alle door de deurwaarder gevraagde informatie heeft gestuurd ligt, gelet op de houding van [gedaagde] , niet in de rede. Deze gang van zaken toont de onbetrouwbaarheid van [gedaagde] aan en bevestigt dat de dreiging van lijfsdwang [gedaagde] blijkbaar wel aanzet informatie te verschaffen. Lijfsdwang is dan ook aangewezen, aldus steeds McCourt.
4.5.
Geoordeeld wordt dat de gevorderde uitvoerbaarheid bij lijfsdwang zal worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.6.
Het is volstrekt ongeloofwaardig dat [gedaagde] niet eerder dan twintig minuten voor aanvang van de zitting de door hem verstrekte informatie aan McCourt had kunnen toesturen. Het heeft er alle schijn van dat [gedaagde] uit tactische overwegingen de informatie zo kort mogelijk voor de zitting aan McCourt heeft toegestuurd. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of [gedaagde] alle door de deurwaarder gevraagde informatie heeft verstrekt en of hij aan de veroordelingen in de beschikkingen heeft voldaan. Dit komt echter voor rekening en risico van [gedaagde] .
4.7.
Vast staat dat de veroordeling in de beschikking van 19 mei 2022 was versterkt met substantiële dwangsommen en dat deze prikkel tot nakoming daarvan voor [gedaagde] geen aanleiding heeft gevormd informatie aan de deurwaarder te verstrekken, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de deurwaarder. Ook aan de veroordelingen in de beschikkingen van 23 november 2023 en 4 januari 2024 heeft [gedaagde] niet voldaan. Het heeft er alle schijn van dat [gedaagde] de beschikkingen doelbewust overtreedt. Uit het dossier volgt een patroon van het jarenlang niet nakomen van afspraken en het niet geven van informatie aan de deurwaarder om tot executie van de aandelen te komen. Gelet op het belang van McCourt om nu eindelijk eens tot verkoop van de aandelen over te kunnen gaan en op de door [gedaagde] – zowel in het verleden als in alle procedures, met inbegrip van de onderhavige – gemaakte keuzes om betaling te ontlopen en het achterhouden van iedere vorm van nadere informatie, is de gevorderde lijfsdwang gerechtvaardigd. Daar kan niet aan af doen dat hij op het laatste moment informatie heeft verstrekt.
4.8.
McCourt heeft de gevorderde lijfsdwang niet beperkt in duur. Op grond van artikel 589 Rv duurt de tenuitvoerlegging van lijfsdwang terzake dezelfde verplichting ten hoogste een jaar. De termijn gedurende welke de lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd zal worden bepaald op de maximale termijn van een jaar. Gelet op alle feiten en omstandigheden in het geschil tussen McCourt en [gedaagde] is er geen aanleiding deze termijn te beperken. Deze feiten en omstandigheden vormen tevens aanleiding om de vordering van McCourt de lijfsdwang dadelijk en dit vonnis op alle dagen en uren ten uitvoer te mogen leggen toe te wijzen.
4.9.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van McCourt worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00
Totaal € 2.108,97.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat onderdeel 5.16 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2022 (met zaak- en rekestnummer C/13/705667 / HA RK 21-265) waarin [gedaagde] is bevolen te bewerkstelligen dat Tennor en elk van de dochtervennootschappen voldoen (en blijven voldoen) aan onderdelen 5.11 tot en met 5.15 van het dictum van die beschikking, uitvoerbaar is bij onmiddellijke lijfsdwang tegen [gedaagde] voor de duur van een jaar en verleent verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging op grond van artikel 591 lid 1 Rv,
5.2.
bepaalt dat onderdeel 5.14 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2023 (met zaak- en rekestnummer C/13/734267 / HA RK 23-169) waarin [gedaagde] is bevolen te bewerkstelligen dat Tennor en elk van de dochtervennootschappen voldoen (en blijven voldoen) aan onderdelen 5.8 tot en met 5.13 van het dictum van die beschikking, uitvoerbaar is bij onmiddellijke lijfsdwang tegen [gedaagde] voor de duur van een jaar en verleent verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging op grond van artikel 591 lid 1 Rv,
5.3.
bepaalt dat onderdeel 5.17 van het dictum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2024 (met zaak- en rekestnummer C/13/734838 / HA RK 23-188) waarin [gedaagde] is bevolen te bewerkstelligen dat Tennor en elk van de dochtervennootschappen en de kleindochtervennootschappen voldoen (en blijven voldoen) aan onderdelen 5.7 tot en met 5.15 van het dictum van die beschikking, uitvoerbaar is bij onmiddellijke lijfsdwang tegen [gedaagde] voor de duur van een jaar en verleent verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging op grond van artikel 591 lid 1 Rv,
5.4.
bepaalt dat dit vonnis op alle dagen en uren ten uitvoer mag worden gelegd en in dat kader op alle dagen en uren exploten mogen worden gedaan,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.108,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening indien [gedaagde] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en dit vonnis moet worden betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na heden, tot aan de voldoening,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.
type: MvG
coll: JT