Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-28
ECLI:NL:RBAMS:2024:1784
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,877 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Strafrecht
Parketnummer: 13/138794-22
Datum uitspraak: 28 maart 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, naar voren hebben gebracht.
[persoon] , slachtoffer in deze zaak, heeft zich als benadeelde partij gevoegd.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is primair – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 4 juni 2022 over de A10 te Amsterdam, heeft gereden, en opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden door
- een mobiele telefoon te bedienen,
- te slingeren,
- abrupt met een aanzienlijke snelheid naar rechts te sturen en/of
- meermalen krachtig en abrupt te remmen,
waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), ( [persoon] ), te duchten was.
(artikel 5a Wegenverkeerswet 1994)
Als het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden is subsidiair aan de verdachte overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet ten laste gelegd (het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg).
De tenlastelegging staat in de bijlage die bij dit vonnis hoort en geldt als hier ingevoegd.
3Bewijs
De rechtbank heeft uit de hierna weergegeven inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Het proces-verbaal van aangifte van 5 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 001 tot en met 004 van het dossier), inhoudende onder meer als verklaring van [persoon] , zakelijk weergegeven:
Op 4 juni 2022 reed ik samen met mijn dochter in mijn auto op de ringweg A10 rechts. Ik reed op de meest rechter rijstrook, ongeveer 100 kilometer per uur. Ik zag schuin voor mij, op rijstrook 2, een auto rijden. Ik zag dat deze auto twee keer vanaf rijstrook 2 gedeeltelijk op rijstrook 3 kwam. Ik zag dat de auto terwijl dit gebeurde ook langzamer ging rijden. Ik reed hierna naast de auto. Ik hoorde dat mijn dochter die naast mij zat, zei dat de bestuurder van de auto die slingerde op zijn telefoon zat. Ik keek op dat moment naar links en herkende de bestuurder als [verdachte] . Ik zag dat hij een telefoon in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat [verdachte] in onze richting keek. Ik zag dat [verdachte] , die nog naast mij reed, plotseling hard naar rechts stuurde. Ik moest hard remmen om een aanrijding te voorkomen. Ik hoorde dat een busje dat achter mij reed, claxonneerde. Doordat ik snel reageerde, zijn wij niet met elkaar in aanraking gekomen. Als ik niet had afgeremd en uitgeweken dan was ik waarschijnlijk tegen de vangrail aan gedrukt. Ik werd door de beweging die [verdachte] maakte naar de vluchtstrook gedwongen.
Het proces-verbaal van verhoor van getuige van 23 februari 2023 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende onder meer als verklaring van de getuige [getuige] , zakelijk weergegeven:
U vraagt mij naar het moment van 4 juni 2022. Wij zaten in een personenauto. Mijn moeder was aan het rijden. Ik zat op de passagiersstoel voorin. Het klopt dat wij op de A10 reden. Wij reden op de meest rechterrijbaan (de rechtbank begrijpt: rijstrook), naast de vluchtstrook. Wij reden achter een auto. De auto reed slingerend over de weg in dezelfde strook als wij. Hij ging een baan naar links. Op een gegeven moment reden wij naast elkaar. Ik keek naar binnen om te kijken of hij op zijn telefoon zat. Dat was het geval. Ik zei dat tegen mijn moeder. Mijn moeder keek toen naar binnen en zei dat ze hem herkende. Hij gooide de auto naar rechts. Daardoor moesten wij ook heel snel naar rechts de vluchtstrook op. U vraagt mij aan welke kant wij naast hem zijn gaan rijden. Aan de rechterkant. Hij reed in het midden. Zijn auto kwam heel ver onze weghelft op. We moesten wegduiken richting de vluchtstrook. U vraagt mij of er een verschil in snelheid was op het moment van het incident. Wij zijn niet helemaal tot stilstand gekomen, maar hebben wel fors onze snelheid verminderd. We zijn de vluchtstrook opgereden. U zegt mij dat de verdachte heeft verklaard dat hij voor ons is gaan rijden en toen is geremd. Oké. Ik denk dat het eraan ligt hoe je ‘voor iemand rijden’ ziet. Als dat is iemand van de weg af te drukken om ervoor te gaan rijden, dan wel ja. Stel dat er een auto voor mijn moeder rijdt en hij remt, dan is het logisch dat zij ook remt, maar niet de vluchtstrook oprijdt.
Het proces-verbaal van inverzekeringstelling van verdachte van 4 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 021 tot en met 022 van het dossier), inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het enige wat ik heb gedaan, is dat ik twee keer op mijn rem heb gedrukt. Ik was een app aan het sturen en die mevrouw tikte meerdere keren met haar vinger op haar voorhoofd. Ik had nog niet gegeten en ik raakte geïrriteerd.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (pagina 025 tot en met 028 van het dossier), inhoudende als de verklaring van de verdachte:
Ik reed op de A10 in de BMW van mijn vrouw (rechtbank: met kenteken [kenteken] , zie pagina 008 tot en met 009 van het dossier). Ik zat een berichtje op mijn telefoon te lezen, vandaar dat ik misschien zwabberde. [persoon] (de rechtbank merkt op dat het slachtoffer [persoon] kort blond haar heeft, zie pagina 005 van het dossier) kwam rechts naast mij. Ik ben voor haar gaan rijden en heb twee keer op de rem gedrukt. Ik zag in mijn binnenspiegel dat zij de vluchtstrook op ging.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (pagina 029 tot en met 031 van het dossier), inhoudende als de verklaring van de verdachte:
Toen ik op de A10 reed, was mijn snelheid 110, 120 kilometer per uur. Ik kreeg een app binnen. Ik zat verontwaardigd naar mijn telefoonscherm te kijken. Ik ben voor haar (rechtbank: [persoon] ) gekomen. Ik heb twee keer absurd op mijn rem getrapt tot 70 of 80 kilometer per uur. Als zij niet had geremd, had zij achter in mijn auto gezeten. Ik was gefrustreerd.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte opzettelijk zich zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [persoon] en haar dochter te duchten was.
5Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte op 4 juni 2022 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (BMW kenteken: [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, ringweg A10 Zuid (rechts), zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- het vasthouden en bedienen van een mobiele telefoon en
- met zijn voertuig te slingeren en
- zijn voertuig abrupt en onverhoeds naar rechts te sturen met een aanzienlijke snelheid en
- meermalen krachtig, abrupt en onverhoeds te remmen,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen ([persoon] ) te duchten was.
6Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van veertig dagen en tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte zijn les heeft geleerd en hij zich - naar het zich laat aanzien - niet nog eens schuldig zal maken aan een dergelijke actie. De raadsman heeft verzocht zijn cliënt een lagere taakstraf op te leggen onder meer omdat de verdachte door een politiemacht is aangehouden en drie dagen heeft vastgezeten op het politiebureau.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft op 4 juni 2022 opzettelijk append en slingerend op de snelweg gereden en heeft vervolgens opzettelijk [persoon] en haar dochter met aanzienlijke snelheid van de snelweg gereden en hen zo in groot gevaar gebracht. Hij heeft zonder acht te slaan op de veiligheid en risico’s voor anderen, zich volstrekt onverantwoordelijk in het verkeer gedragen. En het is toevallig en door grote oplettendheid van [persoon] dat zijn optreden geen verstrekkende gevolgen heeft gehad, behoudens de psychische klachten bij [persoon] . Op dergelijk asociaal verkeersgedrag moet een straf volgen.
In het voordeel van de verdachte weegt mee dat hij de afgelopen anderhalf jaar geen nieuwe (verkeers-)incidenten heeft begaan en dat hij zijn spijt heeft betuigd.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig uur vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest. Als bijkomende straf wordt de verdachte voor de duur van zes maanden de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk ontzegd. De proeftijd is twee jaar.
9Vordering benadeelde partij [persoon]
De benadeelde partij [persoon] vordert een vergoeding van € 1.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente van door haar geleden immateriële schade. In de toelichting op de vordering staat onder meer dat de benadeelde partij zich ruim een week zeer onrustig heeft gevoeld en daardoor slecht in slaap kon komen. Zij had van de spanning hoofd-, schouder- en nekpijn wat het slapen ook bemoeilijkte. Sinds het incident blijft zij ‘aan staan’ terwijl zij eerder haar werk makkelijk kon loslaten. Zij voelt zich voortdurend angstig en is bang om de verdachte tegen te komen.
De raadsman van de verdachte heeft de hoogte van de schade betwist.
Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW bedoelde aantasting in haar persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Het is bij immateriële-schadevergoeding niet altijd vereist dat wordt aangetoond dat sprake is van geestelijk letsel in de zin van een psychiatrisch ziektebeeld. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Er is vast komen te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte heeft de benadeelde, die haar dochter in de auto naast zich had zitten, opzettelijk de weg afgesneden, met paniek bij beide inzittenden tot gevolg, en haar daarmee in groot gevaar gebracht. Deze normschending brengt reeds mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op immateriële-schadevergoeding en stelt het bedrag naar billijkheid vast op € 500,-. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het bewezenverklaarde (4 juni 2022). De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat nu onvoldoende is onderbouwd hoe groot de psychische schade is en het te ver voert om de zaak aan te houden om de benadeelde partij die schade nader te laten onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
10. Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de verdachte, die jegens [persoon] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die haar door het bewezen verklaarde feit is toegebracht, de zogeheten schadevergoedingsmaatregel opleggen tot een bedrag van € 500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 juni 2022 tot de dag van volledige betaling. De maatregel heeft als doel te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan hij tien dagen worden gegijzeld, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf, bijkomende straf en schadevergoedingsmaatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Beveelt voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren (heeft) verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [persoon]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juni 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] .
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door [persoon] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat [persoon] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon] aan de staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juni 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. I. Mannen en Q.M.J.A. Crul, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2024.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]