Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:178
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,143 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/274
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 november 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. S. Oosterkamp als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiseres is een alleenstaande vrouw met de zorg voor haar minderjarige dochter. In het jaar 2000 is eiseres naar Amsterdam gekomen. Tot 2006 is eiseres alleen en samen met haar moeder inwonend geweest bij anderen. In 2006 verhuisde eiseres naar Purmerend waar zij bij haar toenmalige partner woonde. Haar dochter is hier ook geboren. Van 3 oktober 2006 tot 10 april 2019 stond eiseres ingeschreven in Purmerend. Zij is gescheiden van haar man, waarna ze zich op 10 april 2019 weer in Amsterdam heeft ingeschreven. Eiseres staat sinds 10 juni 2020 ingeschreven in WoningNet en verblijft afwisselend bij haar moeder in Amsterdam en haar zus in Purmerend.
2.2.
Op 9 februari 2022 heeft eiseres een urgentieverklaring voor woningtoewijzing aangevraagd. Met het primaire besluit van 14 maart 2022 heeft verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend.
2.3.
Met het bestreden besluit van 29 november 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De urgentieverklaring is afgewezen op grond van artikel 2.6.5, eerste lid aanhef, onder b en e van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: Hvv). Volgens verweerder is eiseres met haar dochter inwonend bij haar moeder en zus waardoor er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Daarnaast is het huisvestingsprobleem naar het oordeel van verweerder ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van eiseres doordat zij naar Amsterdam is gekomen zonder te beschikken over een adequate woonruimte. Toepassing van de hardheidsclausule acht verweerder niet aan de orde.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring voor woningtoewijzing kon afwijzen op grond van de Hvv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.2.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van een algemene weigeringsgrond?
4.1.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Op grond van paragraaf 3, ad b, onder punt 5, van de Nadere regels is er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem als de aanvrager, met of zonder kinderen, bij een of meerdere andere huishoudens inwoont.
4.2.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Eiseres verblijft met haar dochter afwisselend bij haar moeder in Amsterdam en haar zus in Purmerend. Hierdoor is eiseres met haar dochter inwonend bij een of meerdere huishoudens en is er geen sprake van dakloosheid. De verklaringen van haar moeder en zus over het feit dat deze situatie lastig is, doen daar niet aan af. Hoewel de situatie volgens eiseres onhoudbaar is, blijkt niet dat haar zus of moeder haar daadwerkelijk op straat zullen zetten, waarbij een rol speelt dat de inwoning al jaren voortduurt. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat juist ten tijde van de huidige woningschaarste inwonen een passende oplossing is voor veel inwoners van Amsterdam. Derhalve kon de weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Hvv door verweerder worden tegengeworpen. Deze weigeringsgrond is op zichzelf voldoende grond voor afwijzing van de aanvraag.
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
5.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de hardheidsclausule van artikel 2.6.11 van de Hvv niet heeft toegepast.
5.2.
De rechtbank begrijpt dat eiseres belang heeft bij een eigen en vaste verblijfplaats voor haarzelf en haar dochter. Toch is de rechtbank van oordeel dat verweerder haar niet op grond van de hardheidsclausule alsnog urgentie hoeft te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden voldoet. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past verweerder de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe.
5.3.
De situatie van eiseres (ook in vergelijking met andere gevallen) kan niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. Eiseres en haar dochter hebben, hoewel de situatie begrijpelijk verre van ideaal is, in ieder geval een dak boven hun hoofd omdat zij bij haar moeder en zus kunnen verblijven. Eiseres heeft aangevoerd dat haar dochter hartruis heeft, waardoor stressvolle situaties voorkomen dienen te worden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de brieven van de kinderarts niet blijkt dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. De dochter van eiseres is niet onder behandeling voor de medische problematiek en dient alleen terug te komen voor controles. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Evenmin is gebleken van omstandigheden die dusdanig bijzonder zijn dat zij maken dat onverkorte toepassing van de Hvv en de Nadere regels in dit geval tot een situatie zou leiden die onevenredig is in verhouding tot de met de daarin te dienen doelen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 januari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.