Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-23
ECLI:NL:RBAMS:2024:1048
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,536 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5791
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 26 februari 2022 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres] [huisnummer] te Amsterdam (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 277.000,-. In hetzelfde document is aan eiseres de aanslag afvalstoffenheffing voor het belastingjaar 2022 bekendgemaakt.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 17 augustus 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 februari 2024. Eiseres is niet verschenen. De uitnodiging voor de zitting is, blijkens Track & Trace van PostNL op 14 december 2023 op het juiste adres bezorgd. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van
[heffingsambtenaar] , vergezeld door taxateur [naam] .
Overwegingen
1. De rechtbank moet in dit geschil beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking die zij als gebruiker van de woning heeft ontvangen op 26 februari 2022. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan eiseres pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden. De termijn voor het maken van bezwaar is daarmee op de dag na 26 februari 2022 gaan lopen en geëindigd op 11 maart 2022.
4. De heffingsambtenaar heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het bezwaarschrift door eiseres te laat is ingediend, omdat zij het bezwaarschrift pas op 10 oktober 2022 heeft ingediend. De rechtbank leidt uit de door eiseres in beroep overgelegde stukken echter af dat eiseres op 10 september 2022 het bezwaarschrift per
e-mail heeft ingediend. Dit is echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsnog te laat.
5. Eiseres heeft geen reden aangevoerd waarom zij te laat bezwaar heeft gemaakt. Het enkele feit dat zij op 15 augustus 2022 eigenaar is geworden van de woning, maakt niet dat het verontschuldigbaar is dat zij pas in september 2022 bezwaar heeft gemaakt tegen een WOZ-beschikking die zij al in februari 2022 als gebruiker heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding daarom niet verschoonbaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Omdat de heffingsambtenaar in de bestreden uitspraak had opgenomen dat eiseres op 10 oktober 2022 bezwaar heeft gemaakt en ook niet heeft genoemd wanneer de bezwaartermijn was geëindigd, heeft de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak niet goed gemotiveerd. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vanwege dit gebrek vernietigen. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak echter in stand, omdat de conclusie hetzelfde blijft. Ondanks dit motiveringsgebrek, heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres immers terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. De rechtbank merkt ten overvloede nog het volgende op. Als iemand in de loop van het kalenderjaar eigenaar wordt van een onroerende zaak, dan bestaat de mogelijkheid om de heffingsambtenaar op grond van artikel 26 van de Wet waardering onroerende zaken te verzoeken om een voor bezwaar vatbare beschikking over de WOZ-waarde af te geven. Voor het doen van zo’n verzoek geldt geen termijn. Tegen deze beschikking kan vervolgens binnen zes weken bezwaar worden gemaakt.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen omdat deze niet juist was gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak echter in stand. De conclusie is namelijk dat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt uiteindelijk dus geen gelijk.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden uitspraak in stand blijven;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. Vlierhuis, rechter, in aanwezigheid vanmr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet bepaalt dat een termijn die op een zaterdag, zondag of algemene feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.