Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-23
ECLI:NL:RBAMS:2024:1001
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,870 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8972040 CV EXPL 21-864
vonnis van: 23 februari 2024
fno.: 717
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
nader te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
t e g e n
de stichting AUTORITEIT FINANCIËLE MARKTEN,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
nader te noemen: AFM,
gemachtigde: mr. A. van der Kolk.
VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE
In het tussenvonnis in deze zaak van 17 september 2021 is de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van een beslissing van de Hoge Raad in een aanverwante zaak. De Hoge Raad heeft op 21 april 2023 in de zaken met nummers 21/00366 en 21/00370 arrest gewezen. AFM heeft bij akte van 16 juni 2023, ingekomen op 13 juni 20243, op de inhoud van dit arresten gereageerd. [eiser] heeft bij akte, ingekomen 3 augustus 2023, op de arresten gereageerd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald, die daarna een aantal keer is aangehouden, waarna vonnis is bepaald op heden.
Geschil
[eiser] , thans 74 jaar, is per 1 september 2008 met (vervroegd) pensioen gegaan. Hij vordert schadevergoeding van zijn voormalig werkgever AFM vanwege pensioenschade. Volgens [eiser] had AFM op grond van de pensioenafspraak bij moeten storten zodat geen kortingen nodig waren en het pensioen gewoon had kunnen worden geïndexeerd. Mede naar aanleiding van het verweer van AFM zal de vordering worden afgewezen.
NADERE STANDPUNTEN PARTIJEN
1. Volgens AFM spelen in deze zaak twee kwesties:
1. het doorvoeren van kortingen op het pensioen van [eiser] in 2013 en 2014;
2. de rechtsgeldigheid van de wijzigingen van de uitvoeringsovereenkomst 2014 en 2016 en de rechtsgeldigheid van de wijziging van de pensioenregeling in verband met een gestelde strijdigheid met het aantastverbod (artikel 20 Pensioenwet, hierna PW).
AFM handhaaft haar eerdere stellingen ten aanzien van de eerste kwestie (m.n. in nrs. 16 tot en met 29 van de conclusie van antwoord), het arrest van de Hoge Raad heeft daarop geen betrekking. De in 2013 en 2014 doorgevoerde kortingen zijn rechtsgeldig.
Ten aanzien van de tweede kwestie, de indexatie, voert AFM nog het volgende aan. De Hoge Raad oordeelt dat onder pensioenaanspraken in de zin van artikel 20 PW niet vallen afspraken over de financiering daarvan in de uitvoeringsovereenkomst tussen werkgever en het pensioenfonds en dat artikel 20 PW uitsluitend ziet op een wijziging van de pensioenovereenkomst en niet op de wijziging van de uitvoeringsovereenkomst. De wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst zijn daarom wel degelijk rechtsgeldig, aldus AFM, en [eiser] kan zich daarom niet beroepen op de uitvoeringsovereenkomsten 2014 en 2016. De vorderingen van [eiser] moeten daarom volgens AFM worden afgewezen.
2. [eiser] heeft in zijn akte zijn standpunt ten aanzien van de eerste kwestie gehandhaafd. Het gaat om het niet nakomen door AFM van de afspraken inzake de financiering van het pensioen van [eiser] . Het niet nakomen door AFM van die pensioenafspraak heeft geleid tot een tekort aan vereist vermogen bij het pensioenfonds.
Volgens [eiser] heeft AFM niet weersproken dat het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Mercurius Amsterdam voor werknemers van AFM (hierna PR 2006), laatstelijk gewijzigd op 1 januari 2008, en de daarbij behorende uitvoeringsovereenkomst, op hem van toepassing zijn.
Het arrest van de Hoge Raad is volgens [eiser] in zijn zaak ten aanzien van de tweede kwestie minder relevant. Ook indien artikel 20 PW, zoals de Hoge Raad oordeelt, niet gaat over de financiering en de uitvoeringsovereenkomst, betekent dat volgens [eiser] niet dat die onderdelen van de pensioenregeling eenzijdig door AFM kunnen worden gewijzigd. Anders dan bij [eiser] was in de aan de Hoge Raad voorgelegde zaken sprake van nog niet gepensioneerden, bij wie zowel in de arbeidsovereenkomst als in de pensioenovereenkomst met AFM een eenzijdig wijzigingsbeding was opgenomen. In het geval geen eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen had AFM alleen op grond van artikel 7:611 BW de regeling kunnen wijzigen, waarbij de Stoof/Mammoet criteria gelden: er moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden die een wijziging rechtvaardigen, het gedane voorstel moet redelijk zijn en aanvaarding van het voorstel kan in redelijkheid van [eiser] als werknemer worden verwacht.
Als sprake is van voorwaardelijke indexatie van pensioen heeft AFM als werkgever volgens [eiser] een inspanningsverplichting om de kans op indexatie financieel mogelijk te maken. AFM heeft er voor gekozen niet in overleg te treden met de gepensioneerden met als resultaat dat de lasten worden afgewenteld op de pensioengerechtigden, aldus [eiser] .
Beoordeling
3. Voor toewijzing van de vordering van [eiser] dient te komen vast te staan dat het aan hem toegekende pensioen niet in overeenstemming is met hetgeen hem is toegezegd door (rechtsvoorgangers van) AFM in de Pensioenafspraak.
4. In de arbeidsovereenkomst tussen AFM en [eiser] (productie 1 bij dagvaarding) staat over de Pensioenafspraak in artikel 4 het volgende:
Werknemer zal bij het aangaan van de dienstbetrekking worden opgenomen in het pensioenfonds van de Stichting Pensioenfonds van Euronext NV te Amsterdam, waarbij de Autoriteit-FM is aangesloten; de premie die hiermee is gemoeid zal door werkgever worden voldaan.
In de Harmonisatieregeling, die onderdeel is van de arbeidsovereenkomst, staan met betrekking tot de pensioenovereenkomst de volgende specificaties opgenomen: eindloonregeling, premievrij, ouderdomspensioen: maximaal 70% van het laatst verdiende loon, pensioengrondslag: jaarsalaris (…) minus franchise, en een opbouwpercentage van 1,89%.
5. Beoordeeld moet worden of AFM op grond van de Pensioenafspraak gehouden is aan [eiser] schade te vergoeden in verband met de door de pensioenuitvoerder doorgevoerde kortingen in 2013 en 2014 en of AFM [eiser] moet compenseren voor het niet indexeren van het pensioen van [eiser] gedurende meerdere jaren. Dat de kortingen en het niet indexeren een substantiële negatieve invloed hebben gehad op de hoogte van het door [eiser] ontvangen en nog te ontvangen pensioen staat niet ter discussie. Voor de vraag of AFM tot compensatie aan [eiser] verplicht is vinden partijen relevant of de mogelijkheid bestaat de pensioenovereenkomst éénzijdig te wijzigen en of [eiser] er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat er een bijstortingsverplichting bestond voor AFM op het moment dat zonder bijstortingen kortingen nodig waren en indexatie niet meer mogelijk bleek.
Eenzijdige wijziging pensioenovereenkomst
6. Ten aanzien van de vraag of de pensioenovereenkomst van [eiser] eenzijdig kan worden gewijzigd is het volgende van belang.
7. In artikel 25 lid 1 en lid 2 van het PR 2006, waarop [eiser] zich beroept, staat onder meer het volgende:
“1. Indien in de toekomst de per 1 januari 2006 bestaande sociale wetten worden gewijzigd of andere maatregelen met betrekking tot ouderdomspensioen (….) worden ingevoerd, zal het pensioenreglement, indien en voorzover dat door de wet wordt afgedwongen, worden aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.
2. Indien uit de wijziging van het pensioenreglement een vermindering van de pensioenaanspraken voortvloeit, dan zal deze niet meer bedragen dan het bedrag voortvloeiende uit de nieuwe wettelijke voorziening dan wel het bedrag waarmee een reeds bestaande wettelijke voorziening wordt verhoogd, (…). Daarnaast kunnen verminderingen wel plaatsvinden indien de financiële toestand van de stichting daartoe dwingt.”
8. Door [eiser] is niet gesteld, althans niet voldoende onderbouwd, dat wijzigingen in de voor (gewezen) werknemers van AFM geldende reglementen een verdergaande vermindering van pensioenaanspraken tot gevolg hadden dan voortvloeide uit de nieuwe wettelijke voorzieningen, waarop AFM zich beroept. Dat de gestelde verlaging van de pensioenaanspraak van [eiser] het gevolg is van wijzigingen die niet in overeenstemming zijn met het tweede lid van artikel 22 PR 2006 is daarom niet vast komen te staan.
Doorvoeren kortingen op pensioen [eiser] in 2013 en 2014 rechtsgeldig?
8. [eiser] stelt in eerste instantie dat er in 2013 en 2014 ten onrechte kortingen zijn doorgevoerd omdat het PR 2006 niet voorziet in die mogelijkheid.
9. Op grond van artikel 25 lid 2 PR 2006 kunnen verminderingen (kortingen) echter plaatsvinden indien de financiële toestand van het pensioenfonds daartoe dwingt.
10. Volgens AFM vloeien de kortingen over 2013 en 2014 voort uit besluiten van het pensioenfonds en dat kan ook niet anders op grond van artikel 134 PW. Deze besluiten zijn genomen in overeenstemming met de - in de loop der tijd ook gewijzigde - wettelijke en toezichthoudende kaders. De kortingsbesluiten zijn en kunnen ook niet worden genomen door AFM. Zij heeft ook niet gehandeld in strijd met de uitvoeringsovereenkomst.
11. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat de door het pensioenfonds doorgevoerde kortingen rechtsgeldig zijn.
Sprake van niet nakomen financieringsafspraak door AFM?
12. In tweede instantie heeft [eiser] aangevoerd dat het niet gaat om de rechtsgeldigheid van de door het pensioenfonds doorgevoerde kortingen maar om het niet nakomen door AFM van de afspraken inzake de financiering van het pensioen van [eiser] . Volgens [eiser] voorziet de uitvoeringsovereenkomst in een adequate financiering omdat de werkgever zich heeft verplicht jaarlijks het eigen vermogen van het pensioenfonds aan te vullen tot het vereiste vermogen zoals bedoeld in de PW (Uitvoeringsovereenkomst 2007 artikel 5.d). Een korting is wettelijk niet toegestaan als voldoende eigen vermogen aanwezig is of als er mogelijkheden zijn eventuele tekorten aan te vullen (artikel 131-134 PW).
Het niet nakomen door AFM van de Pensioenafspraak heeft geleid tot een tekort aan vereist vermogen bij het pensioenfonds. Volgens [eiser] stelt AFM ten onrechte dat artikel 5d UVO niet voorziet in een bovenwettelijke bijstortingsverplichting van AFM maar op toekomstige opbouw. De formulering van 5d UVO past in de aan hem gedane pensioentoezegging en hij mocht uit gaan van grammaticale interpretatie van deze bepaling en niet van de door AFM gestelde bedoeling om in 5 UVO artikel 128 PW over te nemen in de arbeidsovereenkomst.
13. Volgens AFM baseert [eiser] de vermeende bijstortingsverplichting op een verkeerde lezing van artikel 5d van de Uitvoeringsovereenkomst. Er heeft in 2014 een éénmalige vrijwillige bijstorting plaatsgevonden door AFM waardoor het kortingspercentage in dat jaar slechts 0,792% was in plaats van 3,8%, zoals [eiser] stelt. Het percentage over 2013 was niet, zoals [eiser] stelt 3,8% maar 3,223%, in totaal dus een korting van 3,77%. Volgens AFM is zij niet gehouden enige schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de kortingsbesluiten te vergoeden omdat zij zich jegens het pensioenfonds niet heeft verplicht bij te storten.
14. In artikel 5d van de op 31 december 2007 door AFM en Stichting Pensioenfonds van Euronext Amsterdam N.V. getekende uitvoeringovereenkomst (nader te noemen UVO 2007) staat onder meer het volgende:
“Onder Reglementaire Premie, welke jaarlijks door de werkgever dient te worden afgedragen, wordt in deze overeenkomst verstaan:
a) De koopsom die actuarieel benodigd is in verband met de pensioenverplichtingen conform de reglementen;
b) (…)
c) (…)
d) de opslag die nodig is voor het in stand houden van het vereist eigen vermogen als bedoeld in de Pensioenwet. (…)”.
15. In artikel 5 lid 1 van de op 30 november 2012 door AFM en Stichting Pensioenfonds Mercurius (nader te noemen PMA) ondertekende uitvoeringsovereenkomst (nader te noemen UVO 2013) staat onder meer het volgende:
“De werkgever is jaarlijks de reglementaire premie verschuldigd. Onder de reglementaire premie, wordt in deze overeenkomst verstaan:
a) De koopsom die actuarieel benodigd is in verband met de aangroei van de pensioenverplichtingen in dat jaar conform het pensioenreglement;
b) (…)
c) (…)
d) de opslag die nodig is voor het in dat jaar in stand houden van het vereist eigen vermogen als bedoeld in de Pensioenwet.”.
16. De kantonrechter concludeert dat ten aanzien van de onderdelen a) en d) bijna de gehele tekst en ook de strekking van artikel 5 van de UVO 2013 overeenkomt met de onderdelen a) en d) van artikel 5d van de UVO 2007.
Dictum
De kantonrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de kant van AFM begroot op € 2.035,00 aan salaris, en een bedrag van € 68,00 aan na-salaris, van de gemachtigde, voorzover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is op 23 februari 2024 gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Beoordeling
De door [eiser] voorgestane grammaticale interpretatie van de tekst leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot een andere conclusie over de strekking van de beide artikelen 5 d van de UVO’s. Die strekking is dat AFM aan het pensioenfonds jaarlijks verschuldigd is de koopsom, benodigd voor de pensioenverplichtingen conform het pensioenreglement, en de opslag, nodig voor het in stand houden van het eigen vermogen als bedoeld in de Pensioenwet. Daarmee sluiten deze bepalingen aan bij de strekking van artikel 128 lid 1 PW.
17. Op grond van deze UVO-bepalingen is AFM jegens de pensioenuitvoerder verplicht de koopsom die actuarieel nodig is voor de aangroei van de onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen (van een jaar) overeenkomstig het pensioenreglement te voldoen. Dat AFM aan deze verplichting niet heeft voldaan is in deze procedure niet gesteld en ook niet vast komen te staan.
18. Noch aan de tekst van de wettelijke bepaling noch aan onderdeel 5 d van de UVO heeft [eiser] in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat daarin een verplichting voor AFM als werkgever jegens hem werd geschapen om bij te storten als de dekkingsgraad van het pensioenfonds onder de wettelijke grens zou zakken. Als AFM onder alle omstandigheden jegens het pensioenfonds of [eiser] verplicht zou zijn het vermogen van de pensioenfonds aan te vullen tot de wettelijke dekkingsgraad zou er nimmer aanleiding zijn voor kortingen door de pensioenuitvoerder en was de indexatie-toezegging, anders dan de tekst duidelijk stelt, in feite onvoorwaardelijk. AFM zou dan als werkgever onvoorzienbare en onverantwoorde financiële risico’s dragen voor waardedalingen van het vermogen van de pensioenuitvoerder, doordat bij onvoorziene dalingen van rente en aandelenkoersen dalingen in dekkinsgraad van meer dan 40% - volgens PMA daalde in 2008 de dekkingsgraad bijvoorbeeld van 137,8 % naar 82,8% - door AFM zouden moeten worden opgevangen.
19. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, aan AFM toe te rekenen, waarom in dit geval wel van AFM op grond van de pensioenafspraak met [eiser] of op grond van goed werkgeverschap kon worden verwacht dat werd bijgestort of dat [eiser] wordt gecompenseerd voor door hem geleden schade. AFM heeft kort na de overgang naar PMA in 2014 een bedrag van 2,5 miljoen euro bijgestort, waarna de korting over 2014 niet 3,8% was maar 0,792%. Dat in redelijkheid van AFM meer dan die vrijwillige bijstorting in 2014 mocht worden gevergd is niet gebleken.
Wel of niet recht op indexering?
20. Volgens [eiser] is ten onrechte geen indexatie uitgekeerd. Indexatie moet mogelijk zijn geweest omdat elk jaar het eigen vermogen van het pensioenfonds via de reglementaire premie door AFM had moeten zijn aangevuld in verband met de verplichtingen conform de reglementen (artikel 5 lid 1 onder a UVO 2007) c.q. tot het door de Pensioenwet vereiste niveau (UVO artikel 5 lid 1 onder d) waardoor de dekkingsgraden ruimschoots voldoende zouden zijn geweest voor een volledige indexatie.
21. AFM stelt dat er geen aanleiding is om schade aan [eiser] te vergoeden als gevolg van het achterwege blijven van indexatie, alleen al nu er geen toegezegde onvoorwaardelijke indexatie voor gepensioneerden bestaat en dit alleen mogelijk is indien en voor zover de ruimte van het pensioenfonds dit toelaat.
22. In het volgens [eiser] op hem van toepassing zijnde PR 2006 staat in artikel 22 lid 2. en 3. onder meer:
“2. Ingegaan ouderdomspensioen (…), kunnen, voorzover de overrente van de stichting dit toelaat, per 1 januari worden verhoogd met een door het bestuur vastgesteld percentage overeenkomend met de eventuele stijging van de kosten van levensonderhoud. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre de pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast.
3. De aanpassing als bedoeld in lid 2 is voorwaardelijk. Voor deze voorwaardelijke indexatietoezegging is geen bestemmingsreserve gevormd en wordt geen premie betaald.”
In artikel 6 van de UVO 2007 staat ondermeer dat voor gepensioneerden geen recht bestaat op toekomstige indexaties, de indexatie van de pensioenaanspraken is voorwaardelijk en dat indexering alleen zal plaatsvinden voor zover de middelen van het fonds dat toelaten.
23. Er is, gelet op het voorgaande, sprake van een voorwaardelijke aanspraak op indexering bij ingegaan ouderdomspensioen, namelijk voorzover de overrente van de pensioenuitvoerder dat toelaat. Niet betwist is dat de overrente indexering niet toeliet. In lijn met de AFM-arresten van de Hoge Raad van 21 april 2023 is, nu er geen sprake is van verplicht afgescheiden vermogen voor de toeslagenverlening, ook geen sprake van bijzondere bescherming op grond van artikel 20 Pensioenwet wat betreft toeslagverlening. Door [eiser] zijn geen specifieke omstandigheden gesteld die maken dat AFM in de gegeven omstandigheden op grond van de redelijkheid en billijkheid en goed werkgeverschap gehouden was het verslechterde indexatieperspectief van [eiser] en andere gepensioneerde te compenseren.
24. De conclusie is dan ook dat [eiser] er niet in redelijkheid op mocht vertrouwen dat er een bijstortingsverplichting bestond voor AFM op het moment dat zonder bijstortingen kortingen nodig waren en/of indexatie niet meer mogelijk bleek. Nu de grondslag voor de door [eiser] van AFM gevorderde schadevergoeding ontbreekt zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.
25. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] is de kosten van deze procedure worden veroordeeld (2,5 punten à € 814,00 = € 2.035,00 en € 68,00 nasalaris).