Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-19
ECLI:NL:RBAMS:2023:8497
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,866 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/242908-23
Datum uitspraak: 19 december 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 22 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 april 2018 door de Regional Court in Poznan (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen)
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 14 november 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 november 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Shreki, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is geschorst om de beslissing van de Poolse rechtbank op het verzoek tot het wijzen van een verzamelvonnis af te wachten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 13 december 2023
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 13 december 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Shreki, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Op de zitting van 13 december 2023 heeft de raadsvrouw opnieuw een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak gedaan omdat de behandeling van en de uitspraak op het verzoek tot het wijzen van een verzamelvonnis in Polen is aangehouden. De rechtbank heeft dat verzoek ter zitting van 13 december afgewezen vanwege de onduidelijkheid over en mogelijk lange duur van de behandeling van het verzoek in Polen en de beslistermijn geen ruimte meer geeft tot verdere aanhouding van de behandeling van de zaak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een tweetal vonnissen:
A: II K 454115
Judgment of the District Court in Pila van 25 juni 2015, met kenmerk: II K 454/15.
B: II K 580115
Judgment of the District Court in Pila van 2 december 2015, met kenmerk: II K 580/15. In zaak A resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 29 dagen gevangenisstraf.
In zaak B resteren volgens het EAB nog 7 maanden en 29 dagen gevangenisstraf.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van voornoemde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De opgeëiste persoon heeft met betrekking tot de procedures die tot de vonnissen A II K 454/15 en B II K 580/15 hebben geleid, onvoldoende zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. De oproepingen voor de zittingen die tot deze vonnissen hebben geleid, hebben de opgeëiste persoon niet bereikt. Hij kan zich niet herinneren dat aan hem adresinstructies zijn uitgereikt. Hij heeft ook geen bijstand gehad van een advocaat. De opgeëiste persoon wist niets af van beide veroordelingen en wist zelfs niet dat hij in een proeftijd liep. Het is niet aan hem te wijten dat hij zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden.
Standpunt van de officier van justitie
Voor beide vonnissen geldt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest in de procedure die tot het vonnis heeft geleid en voor beide procedures is geen van de uitzonderingen als genoemd in artikel 12 OLW van toepassing. Toch kan de rechtbank afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en is uitdrukkelijk gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. Hij is – gezien de omstandigheden - niet in zijn verdedigingsrechten geschaad. Ten slotte geldt ten aanzien van beide vonnissen dat de in eerste instantie voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is omgezet omdat de opgeëiste persoon de verplichtingen voorvloeiende uit het aan hem opgelegde reclasseringstoezicht niet is nagekomen.
Oordeel van de rechtbank
A: ten aanzien van vonnis II K 454/15:
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon bij vonnis van 25 juni 2015 van the District Court in Pila is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Uit de aanvullende informatie van 18 oktober 2023 blijkt dat bij beslissing van 25 november 2015 met kenmerk II Ko 2984/15 de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf omdat de opgeëiste persoon de aan hem opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd door geen contact te houden met de reclassering. Dit betekent dat slechts het vonnis van 25 juni 2015 (II K 454/15) getoetst dient te worden aan artikel 12 OLW.
Voorts blijkt uit het EAB en de aanvullende informatie van 18 oktober 2023 dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering zou kunnen weigeren op grond van artikel 12 OLW.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB onder paragraaf D. blijkt dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte was dat er een procedure tegen hem liep. Uit de aanvullende informatie van 18 oktober 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon op 19 mei 2015 als verdachte is gehoord. Tijdens dit verhoor heeft hij een adres in Polen moeten opgeven en is hij gewezen op de verplichting iedere wijziging in zijn adres door te geven. Ook is hij erop gewezen dat hij op het door hem opgegeven adres zou worden opgeroepen en dat – indien hij niet zou verschijnen – de zaak in zijn afwezigheid kon worden afgedaan. De opgeëiste persoon heeft voor de ontvangst van deze zogenaamde “adresinstructie” getekend. Uit het EAB blijkt voorts dat hij voorafgaand aan de zitting een overeenkomst met de Poolse officier van justitie heeft gesloten waarbij de tenlastelegging is voorgedragen, hij op zijn rechten en plichten is gewezen en hij zichzelf schuldig heeft verklaard. Ten slotte heeft de opgeëiste persoon zich bereid getoond om de overeengekomen voorwaardelijke straf (met als voorwaarde reclasseringscontact) te ondergaan.
De opgeëiste persoon is, zo blijkt eveneens uit het EAB, opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Vervolgens is de opgeëiste persoon echter niet verschenen op de zitting.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
Diefstal, meermalen gepleegd
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon op basis van de door de opgeëiste persoon verstrekte documenten gelijk te stellen met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW en de in Polen opgelegde straf over te nemen.
Standpunt officier van justitie
De opgeëiste persoon staat weliswaar sinds 2017 ingeschreven in het BRP-register maar de opgeëiste persoon voldoet op basis van de overgelegde stukken, die zij gedeeltelijk heeft kunnen bestuderen, waarschijnlijk niet aan de inkomensvereisten.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon sinds 10 mei 2017 onafgebroken ingeschreven heeft gestaan in het BRP-register op verschillende adressen binnen Nederland. Voorts blijkt uit alle door de opgeëiste persoon verstrekte inkomensgegevens dat de over de jaren 2018 tot en met 2022 genoten inkomsten ruimschoots voldoen aan 50% van de bijstandsnorm. Over het jaar 2023 zijn weliswaar geen inkomensgegevens verstrekt maar door zijn ononderbroken rechtmatig verblijf in de periode 2018 tot en met 2022 had de opgeëiste persoon in 2023 al duurzaam verblijfsrecht. De rechtbank is aldus van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 11 december 2023 volgt dat de veroordelingen in Polen er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon als gevolg hiervan zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel
27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond.
Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 310 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznan (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.
HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. H.J. Bos en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 december 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.