Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-20
ECLI:NL:RBAMS:2023:8383
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,445 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.245675-23
Datum uitspraak: 20 december 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 27 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 maart 2017 door the District Court in Koszalin (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 november 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.M. van der Zwan, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Bij tussenuitspraak van 22 november 2023 is het onderzoek heropend en geschorst tot 6 december 2023 om de raadsman in de gelegenheid te stellen het gelijkstellingsverweer nader te onderbouwen en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de in Polen aan hem opgelegde straf.
De behandeling is met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 6 december 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.M. van der Zwan, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 22 november 2023
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 22 november 2023. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Gelijkstelling artikel 6a, negende lid, OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Na de tussenuitspraak van 22 november 2023 is door de verdediging – naast de al eerder overgelegde stukken – een groot aantal stukken overgelegd met betrekking tot de woon- en werksituatie van de opgeëiste persoon. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 28 november 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht als gevolg hiervan niet zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De opgeëiste persoon kan dus worden gelijkgesteld met een Nederlander.
5Verjaring van de tenuitvoerlegging
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW luidt:
Overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging, of, zo de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, geen bestraffing meer kan plaatshebben.
De rechtbank stelt vast dat de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander ertoe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van het feit waarvoor de opgeëiste persoon in Polen in 2004 is veroordeeld.
De rechtbank stelt vast dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht in dit geval 16 jaar is (op grond van artikel 70 en 311 Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:22 Wetboek van Strafvordering). De tenuitvoerleggingstermijn van het vonnis van the Local Court in Szczecinek van 5 juli 2004 (II K 212/04) is daarom in 2020 verstreken. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve grond.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van de voornoemde weigeringsgrond. Zij vindt daarbij het volgende van belang. De opgeëiste persoon heeft – na beraad met zijn raadsman en zijn echtgenote – ter zitting uitdrukkelijk de voorkeur uitgesproken voor het ondergaan van de vrijheidsstraf in Nederland, boven de mogelijkheid om de overlevering te weigeren in verband met verjaring naar Nederlands recht. Weigering van de overlevering op grond van verjaring naar Nederlands recht heeft tot gevolg dat de opgeëiste persoon de straf in Nederland niet zal ondergaan. Een weigering zou in dat geval (kunnen) leiden tot straffeloosheid. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank te worden voorkomen. Verder zou weigering niet betekenen dat de opgeëiste persoon de straf nooit meer zou hoeven te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straf naar het recht van Polen niet is verjaard (volgens het EAB in juli 2029), zou de opgeëiste persoon – wanneer hij gebruik maakt van zijn vrij verkeersrechten binnen de Europese Unie – rekening moeten houden met de mogelijkheid dat hij – na aanhouding - door een andere lidstaat van de Europese Unie aan Polen wordt overgeleverd voor de tenuitvoerlegging van de straf aldaar. Tenuitvoerlegging van de straf in Polen zou dan de met tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen.
6Overname van de in Polen opgelegde gevangenisstraf, artikel 6a OLW
De rechtbank heeft onder 4.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 22 november 2023 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, te weten een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden, waarvan volgens het EAB nog 1 jaar en 20 dagen resteren.
HEFT OP de – geschorste – overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 december 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.