Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-12-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:8313
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,202 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13.069664.20
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/069664-20
Datum uitspraak: 21 december 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 december 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (telkens) een of meer geldbedrag(en) tot een totaal geldbedrag van (ongeveer) 202.428,69 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Night of Comedy BV en/of Back in Action BV en/of [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep van/als boekhouder of tegen geldelijke betaling, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen gelet op de aangifte, de aanvullende aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar betwist de omvang van het ten laste gelegde bedrag. De bedragen die op pagina 147 van het dossier staan genoemd bij de boekjaren 2016 en 2017 onder het kopje “Betalingen aan de Belastingdienst op naam van RvS en ex-partner”, zijn niet onderbouwd, althans blijkt niet dat deze bedragen door of ten behoeve van verdachte aan de Belastingdienst zijn overgemaakt. Deze twee bedragen, 10.235 en 4.063 euro, moeten daarom in mindering worden gebracht op het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag.
4.3
Beoordeling
De rechtbank vindt op basis van de aangifte, de aanvullende aangifte en de verklaring van verdachte bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering gepleegd uit hoofde van zijn beroep als boekhouder, zoals ten laste is gelegd.
De rechtbank is echter – met de raadsman – van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de bedragen die zijn genoemd op pagina 147 van het dossier onder het kopje “Betalingen aan de Belastingdienst op naam van RvS en ex-partner” met betrekking tot de boekjaren 2016 (€ 10.235) en 2017 (€ 4.063) zijn betaald aan de Belastingdienst door of ten behoeve van verdachte of zijn ex-partner. Deze bedragen worden daarom in mindering gebracht op het bewezenverklaarde bedrag.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2018 te Amsterdam opzettelijk geldbedragen tot een totaal geldbedrag van 188.130,69 euro die toebehoorden aan Night of Comedy BV en/of Back in Action BV en welke geldbedragen verdachte uit hoofde van zijn beroep als boekhouder onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 5 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft verder een taakstraf van 240 uren gevorderd, met bevel dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie heeft als bijkomende straf gevorderd dat verdachte wordt ontzet van het recht financiële beroepen uit te oefenen, zoals het beroep van administrateur, boekhouder en accountant, betaald dan wel onbetaald, eveneens voor de duur van 5 jaar.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gevraagd om vanwege de forse overschrijding de redelijke termijn, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen. De raadsman heeft zich verzet tegen de oplegging van bijzondere voorwaarden. Verdachte is al in behandeling bij een psychotherapeute en een meldplicht is overbodig. Daarnaast heeft de raadsman zich verzet tegen de gevorderde bijkomende straf tot ontzetting van het recht om financiële beroepen uit te oefenen. Verdachte is alweer enige tijd werkzaam als boekhouder. Als hij dit werk niet kan doen, heeft hij geen inkomen. Bovendien is ook niet gebleken dat verdachte sinds dit voorval, wat nu al ruim 5 jaar geleden is, enige malversaties heeft gepleegd.
8.3.
Beoordeling
Verdachte heeft als boekhouder gedurende een periode van circa 4,5 jaar grote geldbedragen verduisterd van de bankrekeningen van Back in Action en Night of Comedy. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als boekhouder en van het vertrouwen dat in hem was gesteld. Verdachte heeft zich daarbij niet bekommerd om de schade en het leed dat hij hiermee veroorzaakte. Dit veranderde echter nadat de verduistering aan het licht kwam. Verdachte heeft toen direct openheid van zaken gegeven en spijt betuigd. Ook heeft verdachte een groot deel van de schade terugbetaald, en uit eigen beweging hulp gezocht voor de psychische problematiek die volgens hem aan zijn gedrag ten grondslag heeft gelegen. De rechtbank heeft ook gezien dat verdachte sindsdien niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank houdt er verder rekening mee dat de in artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vastgelegde redelijke termijn van 2 jaar, waarin de strafzaak tegen verdachte moet worden afgedaan, ruimschoots is overschreden. Verdachte is op 1 oktober 2019 voor het eerst verhoord. Dit betekent dat tussen het moment waarop verdachte met zijn (mogelijke) strafvervolging bekend is geworden en de datum waarop dit vonnis is gewezen, meer dan vier jaar is verstreken en de redelijke termijn met ruim twee jaar is overschreden. Deze overschrijding valt niet te wijten aan de opstelling van de verdediging of de ingewikkeldheid van de zaak. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan gebruikelijk.
Gelet op al het voorgaande, vindt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, alsmede een taakstraf van 240 uren passend en geboden
De rechtbank wijkt daarmee af van de strafeis van de officier van justitie. Zij vindt de gevraagde proeftijd van 5 jaar en de ontzetting van het recht om financiële beroepen uit te oefenen, niet passend nu de periode waarin de verduistering is gepleegd meer dan vijf jaar geleden is, verdachte nadien niet meer de fout is ingegaan, terwijl hij alweer jaren werkzaam is als boekhouder.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 322 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht:
Veroordeelde meldt zich na oproep bij Reclassering Nederland te Wibautstraat 12 in Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Diagnostiek en ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich diagnosticeren en behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en K.M.A. van der Heijden, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2023.