Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-23
ECLI:NL:RBAMS:2023:7612
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,603 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/215857-23
Datum uitspraak: 23 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 30 augustus 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 november 2021 door the Regional Court in Tarnów, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB is – na eerdere behandeling op de zitting van 18 oktober 2023 –voortgezet op de zitting van 15 november 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op de zitting van 18 oktober 2023 reeds met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 1 november 2023 reeds is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB en de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in eerste aanleg, zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak hierover heeft overwogen, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 1 november 2023 geoordeeld dat ten aanzien van de procedure in eerste aanleg, die geleid heeft tot het vonnis van the District Court in Tarnów van 6 maart 2019, sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond is daarom hierop niet van toepassing. Ten aanzien van de procedure in hoger beroep, die geleid heeft tot het arrest van the Regional Court in Tarnów van 11 juli 2019 (II K 1278/18), heeft de rechtbank in voormelde tussenuitspraak aanvullende vragen gesteld.
In de aanvullende informatie van 3 november 2023 is hierover onder meer het volgende opgenomen:
“The wanted [naam] was represented by her defence counsel in the court proceedings. This defence lawyer represented her as early as the preparatory proceedings, next before the court of first instance as well as before the court of appeal (i.e. District Court) in an appeal session. This defence counsel was appointed for
every stage
of the court proceedings including the appellate stage (appeal).”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit ongenoegzaam heeft geantwoord op de aanvullende vragen. Nu in het antwoord van de Poolse autoriteiten namelijk tweemaal de naam [naam] is opgenomen, lijken de antwoorden geen betrekking te hebben op de opgeëiste persoon.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden
toegestaan, omdat sprake is van een situatie als beschreven in artikel 12, onder b, OLW. In
onderdeel d) en onderdeel f) van het EAB is namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door haar gekozen advocaat en dat deze haar belangen heeft behartigd. In de aanvullende informatie is dit nogmaals bevestigd. Dat de aanvullende informatie, ondanks de daarin genoemde naam [naam], ziet op de opgeëiste persoon blijkt uit het gehele antwoord en de eerste alinea. Hierin worden de zaak en de naam van de opgeëiste persoon alsook het referentienummer van het EAB genoemd.
Beoordeling
De rechtbank constateert dat in de aanvullende informatie van 3 november 2023 (ook) de naam [naam] is vermeld. De rechtbank ziet hierin echter geen redenen om te twijfelen dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de opgeëiste persoon betrekking heeft. Blijkens de eerste alinea van de aanvullende informatie ziet het antwoord op [opgeëiste persoon] (zijnde de dochter van onder meer [naam]), waarbij hetzelfde referentienummer en uitvaardigingsdatum als het EAB zijn vermeld. Bovendien bevat de aanvullende informatie antwoorden op de door het IRC gestelde vragen.
Uit voornoemde aanvullende informatie van 3 november 2023 leidt de rechtbank af dat de advocaat die de opgeëiste persoon heeft vertegenwoordigd is aangewezen voor elk stadium van de procedure, inclusief de appelprocedure.
In onderdeel d) van het EAB is daarnaast het volgende opgenomen:
“being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was appointed by her to defend her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial (…) During the last trial and before the Court of the Second Instance the requested party was represented by a legal counsellor – an attorney appointed by her.”
Onder f) in het EAB is ten aanzien van de behandeling in hoger beroep tot slot nog het volgende vermeld:
“The requested party was informed about the date of the appeal hearing in a proper way (…) . However, she did not appear at the hearing and her interest were represented by her legal counsellor who requested that the most lenient sentence be imposed on her.”
Op grond van voormelde informatie, in samenhang gelezen, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de procedure in hoger beroep en dat zij een door haar benoemde advocaat heeft gemachtigd haar te vertegenwoordigen op de zitting, ook in hoger beroep. Verder stelt de rechtbank vast dat die advocaat daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd nu hij blijkens de informatie heeft bepleit dat aan de opgeëiste persoon een lage(re) straf werd opgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat ten aanzien van de procedure in hoger beroep eveneens sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom ook ten aanzien van deze procedure niet van toepassing.
In het arrest van the Regional Court in Tarnow van 11 juli 2019 (II K 1278/18) is aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke gevangenisstraf van 11 maanden opgelegd. Bij beslissing van 3 december 2020 van the District Court in Tarnów (XI Ko 2358/20) is de voorwaardelijk opgelegde straf wegens schending van de voorwaarden omgezet in een onvoorwaardelijke straf. De rechtbank overweegt hierover dat sprake is van een situatie zoals in het arrest Ardic van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat de beslissing van 3 december 2020 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Nu de reden voor de beslissing tot omzetting van de voorwaardelijke straf niet is gelegen in een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, hoeft de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW te toetsen dan het hiervoor genoemde vonnis van 6 maart 2019 en het arrest van 11 juli 2019.
4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Tarnów, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2023:6916
HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.