Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-11-30
ECLI:NL:RBAMS:2023:7588
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,316 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/242657-23
Datum uitspraak: 30 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 28 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juli 2023 door het Amtsgericht Bamberg (Duitsland; hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 november 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. W. Hendrickx, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Bamberg van 22 juni 2023 (dossiernummer: 3 Gs 96/23 (2110 Js 10822/23).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Inleiding
Omschrijving verdenking in het EAB
In het EAB zijn de strafbare feiten die ten grondslag liggen aan het overleveringsverzoek als volgt omschreven. Eerst is in een inleiding omschreven dat een groep verdachten in verschillende samenstellingen vanuit Nederland naar Duitsland ging om daar geldautomaten op te blazen en het zich in die automaten bevindende geld te stelen. Daarbij is omschreven hoe de verdachten te werk gingen bij de planning, voorbereiding en uitvoering. De opgeëiste persoon is in deze inleiding niet genoemd. Vervolgens is vermeld dat na de aanhouding van de meerderheid van de groep, verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [opgeëiste persoon] – de opgeëiste persoon dus – actief bleven en wel vooral vanuit een garage in Brunssum. Verder is de gang van zaken bij plofkraken op 17 mei 2023 bij een bankfiliaal in Sulz am Neckar en op
18 mei 2023 in Leipheim beschreven, waarbij de precieze rol van de opgeëiste persoon daarbij niet is omschreven.
In het EAB is vermeld dat voor zover verdachten niet zelf handelden, zij de handelingen van anderen goedkeurden alsof het hun eigen handelingen waren.
In het EAB zijn als tijdstippen waarop de strafbare feiten zijn gepleegd, vermeld: 17.05.2023 en 18.05.2023, en als plaatsen waar de strafbare feiten zijn gepleegd: Sulz am Neckar en Leipheim.
Als aard van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon is vermeld: medeplichtige.
EOB en stakingsbeslissing van Nederlandse officier van justitie
Bij brief van 2 november 2023 heeft de Nederlandse officier van justitie (mr. H.C. van Ooijen) de hoofdofficier van justitie te Bamberg (Dr. U. Redler) als volgt bericht:
“In antwoord op uw EOB gedateerd 31 oktober 2023 met bovenvermeld dossiernummer deel ik u het volgende mee.
U verzoekt de overdracht van het onderzoeksdossier 31FIX23, dat betrekking heeft op de verdachten:
[opgeëiste persoon] , geboren [geboortedag] 1993
Onder mijn leiding werd vanaf 29 maart 2023 het onderzoek 31Fix23 ten aanzien van deze verdachten gevoerd. Het onderzoek ziet op:
Deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Wetboek van Strafrecht)
Medeplegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van plofkraken
(artikel 46 jo artikel 48 jo artikel 157 jo artikel 170 jo artikel 311 Wetboek van Strafrecht)
Medeplegen van plofkraken (artikel 48 jo artikel 157 jo artikel 170 jo artikel 311 Wetboek van Strafrecht)
Op 27 september 2023 werden bovengenoemde verdachten op grond van een door u uitgevaardigd EAB aangehouden.
Op 27 september 2023 werden ter uitvoering van een door u uitgevaardigd EOB de woon- en verblijfsadressen van bovengenoemde verdachten onder leiding van de Rechter Commissaris doorzocht.
Gelet op uw lopende opsporingsonderzoek, gelet op het feit dat de strafbare feiten zich grotendeels op het grondgebied van de Bondsrepubliek hebben voorgedaan en gelet op het feit dat de benadeelden van de door u onderzochte strafbare feiten zich eveneens in de Bondsrepubliek Duitsland bevinden zal ik het Nederlandse onderzoek per
15 november 2023 staken en het onderzoeksdossier aan u overdragen ter voeging bij uw stukken.”
Verweer/verzoeken van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de overlevering te weigeren, omdat de stukken ongenoegzaam zijn. De stukken uit het Nederlandse en Duitse strafdossier hadden moeten worden verstrekt om te kunnen beoordelen of het Nederlandse Openbaar Ministerie de opgeëiste persoon zou moeten vervolgen. In dit verband is van belang dat in het EAB niet is vermeld dat de opgeëiste persoon handelingen in Duitsland heeft gepleegd. Wel is vermeld dat de opgeëiste persoon handelingen in Nederland (Brunssum) heeft gepleegd. Vervolging door het Nederlandse Openbaar Ministerie ligt in de rede, aldus de raadsman
Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om bedoelde stukken alsnog aan het dossier toe te voegen.
Meer subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de overlevering expliciet toe te staan voor de plofkraak op 17 mei 2023 in Sulz am Neckar en de plofkraak op 18 mei 2023 in Leipheim.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de plofkraken en pleegplaatsen in Duitsland duidelijk zijn omschreven in het EAB en dat duidelijk is dat de Duitse officier van justitie de opgeëiste persoon voor die feiten wil vervolgen. Er bestaat geen regel die het Nederlandse Openbaar Ministerie verplicht om de opgeëiste persoon te vervolgen. De stukken uit het Nederlandse en Duitse strafdossier hoeven niet te worden verstrekt, aldus de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het primaire en subsidiaire verzoek van de raadsman af. De OLW biedt geen grond voor toevoeging aan het dossier van de door de raadsman gewenste stukken. Verder is voor de rechtbank op basis van het EAB duidelijk dat de Duitse officier van justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen voor zijn betrokkenheid bij twee plofkraken.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Bamberg (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J. van Zijl, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.