Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-02-14
ECLI:NL:RBAMS:2023:749
Civiel recht
Kort geding
12,128 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/727840 / KG ZA 23-14 MDvH/MV
Vonnis in kort geding van 14 februari 2023
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SARABEL B.V.,
gevestigd te Delfzijl,
eisers in conventie bij dagvaarding van 10 januari 2023,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M. Ynzonides te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser 1] , Sarabel en [gedaagde] worden genoemd.
Procesverloop
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 30 januari 2023 hebben [eiser 1] en Sarabel de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. [eiser 1] en Sarabel hebben de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aan de zijde van [eiser 1] en Sarabel aanwezig mr. E.E.U. Vroom, mr. I. Koudstaal en mr. M.E. Rosing (kantoorgenoten van mr. De Greve). [eiser 1] was niet aanwezig. [gedaagde] was aanwezig met mr. Ynzonides en zijn kantoorgenoot mr. M.H. de Boer. Als toehoorders waren aanwezig [naam 1] (deurwaarder), [naam 2] en [naam 3] (beiden van DigiJuris B.V.) en mr. D.C. Roessingh en mr. M. Gerrits (beiden advocaat van [naam 4] ).
Na verder debat is vonnis bepaald op 14 februari 2023.
Feiten
2.1.
[eiser 1] is ondernemer. Sarabel is een persoonlijke investerings-vennootschap van [eiser 1] .
2.2.
[gedaagde] is advocaat. In het verleden heeft hij als advocaat opgetreden voor zowel [eiser 1] als [naam 4] .
2.3.
In april 2015 heeft [gedaagde] [eiser 1] en [naam 4] met elkaar in contact gebracht. In de periode van juni 2015 en tot en met december 2016 heeft [eiser 1] een bedrag van € 75.350.000,- geleend aan [naam 4] , die de gelden zou aanwenden ten behoeve van de aankoop en exploitatie van een aantal steengroeven in Iran. Ten tijde van het verstrekken van de eerste lening op 17 juni 2015 (ter hoogte van € 10.000.000,-) is door [eiser 1] en [naam 4] een letter of intent getekend. Hieruit volgt kort gezegd dat zou worden gekozen voor een joint venture-structuur: [eiser 1] zou een belang van 50% verwerven in de onderneming die [naam 4] in Iran zou oprichten.
2.4.
In 2016, toen van het onder 2.3 genoemde bedrag reeds € 65.350.000,- aan [naam 4] ter beschikking was gesteld, konden [eiser 1] en [naam 4] het niet eens worden over de uitwerking van de joint venture-structuur. [gedaagde] heeft toen bemiddeld tussen [eiser 1] en [naam 4] met als doel de samenwerking tussen hen te formaliseren. Onder begeleiding van [gedaagde] is onderhandeld over een samenwerkingsovereenkomst. In die onderhandelingen is tevens afgesproken dat [eiser 1] aanvullend € 10.850.000,- (€ 10.000.000,- als investering en € 850.000,- als werkkapitaal) aan [naam 4] zou verstrekken. In december 2016 heeft [eiser 1] het bedrag van € 10.850.000,- overgemaakt naar de derdengeldrekening van [gedaagde] , ten behoeve van [naam 4] . Vanaf die derdengeldrekening heeft [gedaagde] het bedrag overgemaakt naar Corporate Real Estate B.V., een vennootschap van [naam 4] .
2.5.
In de eerste helft van 2017 bleek dat [eiser 1] en [naam 4] het niet eens konden worden over de (uitwerking van de) samenwerkingsovereenkomst. [naam 4] wilde op dat moment de samenwerking met [eiser 1] niet voortzetten.
2.6.
Op 11 november 2017 hebben [eiser 1] en Sarabel bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt tegen [naam 4] . De vorderingen richtten zich op nakoming van de gemaakte afspraken. Bij vonnis van 29 november 2017 zijn die vorderingen afgewezen, kort gezegd, omdat de voorzieningenrechter van oordeel was dat de afspraken waarvan [eiser 1] nakoming vorderde onvoldoende concreet waren.
2.7.
Op 4 december 2017 heeft [gedaagde] telefonisch contact opgenomen met [eiser 1] , met het voorstel te bemiddelen tussen [eiser 1] en [naam 4] om zodoende een minnelijke oplossing te bewerkstelligen. Op 12 januari 2018 is, na bemiddeling door [gedaagde] , een (nader uit te werken) schikkingsovereenkomst gesloten tussen [eiser 1] en [naam 4] . Onderdeel hiervan was dat [naam 4] uiterlijk op 30 juni 2020 € 15.000.000,- aan [eiser 1] zou terugbetalen, bij gebreke waarvan het volledig uitstaande bedrag per direct opeisbaar zou zijn.
2.8.
De FIOD is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [naam 4] . Op 20 december 2018 is [eiser 1] in dit onderzoek als getuige gehoord. [naam 4] wordt (thans) verdacht van verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. De aanvankelijke verdenking van oplichting is komen te vervallen. In december 2018 is ook [gedaagde] door de FIOD als getuige gehoord in het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 4] .
2.9.
Op 29 maart 2019 hebben [eiser 1] , [naam 4] en [gedaagde] een bemiddelingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst verplicht [gedaagde] zich om zich in te spannen om de schikkingsovereenkomst van 12 januari 2018 (zie 2.7) zo spoedig mogelijk uit te werken.
2.10.
Op 27 september 2019 en op 1 mei 2020 is [eiser 1] opnieuw als getuige gehoord door de FIOD in het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 4] . Op 21 januari 2020 is [gedaagde] opnieuw als getuige gehoord.
2.11.
Op 19 en 22 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [eiser 1] . Op 29 juni 2020 heeft [gedaagde] aan de advocaten van [eiser 1] en [naam 4] bericht dat hij zijn opdracht als bemiddelaar beëindigde.
2.12.
In februari 2022 heeft [eiser 1] van de FIOD een gedeelte van het strafdossier van [naam 4] ontvangen.
2.13.
Op 20 mei 2022 heeft [gedaagde] telefonisch contact opgenomen met [eiser 1] met het voorstel om met [naam 4] te spreken over een oplossing. [eiser 1] heeft dit voorstel niet aanvaard.
2.14.
Op 15 juni 2022 is [eiser 1] een bodemprocedure tegen [naam 4] gestart, waarin hij onder meer de aan [naam 4] ter beschikking gestelde gelden terugvordert. Volgens de dagvaarding zijn die gelden niet aangewend voor de aankoop en exploitatie van de steengroeven in Iran, maar heeft [naam 4] de gelden besteed aan de aankoop van onroerende zaken, casinobezoeken, exclusieve horloges, kunstaankopen etc. Volgens [eiser 1] is hij het slachtoffer geworden van een geraffineerde oplichting door [naam 4] . In de dagvaarding is opgenomen dat [gedaagde] een dubbelrol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de schikkingsovereenkomst tussen [eiser 1] en [naam 4] . De mondelinge behandeling in de bodemprocedure tussen [eiser 1] en [naam 4] zal plaatsvinden op 13 juni 2023.
2.15.
Bij verzoekschrift van 27 september 2022 (aangepast op 4 oktober 2022) hebben [eiser 1] en Sarabel de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht verlof te verlenen tot het leggen van bewijsbeslag ten laste van [gedaagde] . Tevens is verzocht DigiJuris B.V. aan te stellen als gerechtelijk bewaarder. In het verzoekschrift is onder meer opgenomen dat [gedaagde] optrad als bemiddelaar (en dus niet als advocaat) in de verhouding tussen [eiser 1] en [naam 4] , dat [eiser 1] civielrechtelijke actie tegen [gedaagde] wenst te ondernemen en dat [eiser 1] , om zijn toekomstige vorderingen te kunnen onderbouwen, afschrift van bepaalde bescheiden nodig heeft, die mogelijk door [gedaagde] verduisterd worden. [eiser 1] zal om die reden tegen [gedaagde] een vordering op grond van artikel 843a Rv instellen. Als motivering hiervoor staat in het verzoekschrift dat [gedaagde] zich weliswaar voordeed als zelfverklaard onafhankelijk bemiddelaar, maar in werkelijkheid uitsluitend de belangen van [naam 4] behartigde, waarvoor [naam 4] hem een beloning in het vooruitzicht stelde van € 10.000.000,-. [gedaagde] heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [eiser 1] in hem had. [gedaagde] heeft een dubbelrol gespeeld en er zijn aanwijzingen dat [gedaagde] [naam 4] bevoordeelde, dit alles aldus het verzoekschrift. Onder randnummer 98 van het verzoekschrift is opgenomen op welke bescheiden [eiser 1] bewijsbeslag wenst te leggen. Het gaat dan om: “alle correspondentie (waaronder, maar uitdrukkelijk niet beperkt tot, correspondentie tussen [gedaagde] en [naam 4] , en tussen [gedaagde] en de raadslieden van [naam 4] ), digitale en fysieke bescheiden en/of andere relevante bescheiden, schriftelijk en/of elektronisch (waaronder, maar uitdrukkelijk niet beperkt tot: e-mails, brieven, SMS-, Whatsapp- of Telegram-berichten, en/of berichten via andere direct messaging-tools) in welke vorm en op welke gegevensdrager dan ook (waaronder, maar uitdrukkelijk niet beperkt tot, servers, USB-sticks, iPads, iPhones, andere mobiele telefoons of tablets, flash drives en harde schijven), alsmede al hetgeen zich in ‘the cloud’ bevindt”. Onder randnummer 99 van het verzoek is opgenomen dat onder de in beslag te nemen bescheiden in ieder geval ook de overeenkomst valt die op 12 april 2016 tussen [gedaagde] en [naam 4] is gesloten en de afschriften van bankrekeningen op naam van [gedaagde] of aan hem gelieerde vennootschappen met daarop zichtbaar overboekingen van of aan [naam 4] of van of aan [naam 4] gelieerde vennootschappen.
Geschil
3.1.
[eiser 1] en Sarabel vorderen in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:A. ten aanzien van bescheiden waarover [gedaagde] direct of indirect kan beschikken[gedaagde] te veroordelen om binnen een week na het wijzen van dit vonnis aan de advocaat van [eiser 1] afschrift van de volgende bescheiden te verstrekken:
i. het gehele bemiddelingsdossier (inclusief alle communicatie) dat ziet op de bemiddeling tussen [eiser 1] en [naam 4] door [gedaagde] ;
ii. de overeenkomst tussen [gedaagde] en [naam 4] van 12 april 2016, zoals genoemd in het strafdossier;iii. alle concepten van deze overeenkomst en alle correspondentie over deze overeenkomst;
iv. alle bescheiden waaruit betalingen van [naam 4] en/of direct of indirect aan hem gelieerde (rechts)personen (zoals Corporate Real Estate) aan [gedaagde] en/of direct of indirect aan hem gelieerde (rechts)personen (zoals de te Bonaire gevestigde rechtspersoon die genoemd is in de overeenkomst van 12 april 2016) blijken, waaronder in ieder geval betaalbewijzen, rekeningafschriften of ontvangstbevestigingen;
v. de inhoud van de rode ordner met opschrift "Mediation", de zwarte ordner met het opschrift "AMB 040" en de losse A4-documenten die door de deurwaarder in beslag zijn genomen;
vi. de correspondentie en documenten die gewisseld zijn tussen [gedaagde] en [naam 4] en tussen [gedaagde] en de raadslieden van [naam 4] , onder wie in ieder geval begrepen mr. Van Bekkum, mr. Brouwer, mr. Wijers en mr. Koets, zowel als geadresseerde als in de cc, schriftelijk en/of elektronisch (waaronder – doch uitdrukkelijk niet beperkt tot – e-mails, brieven, telefoonnotities, (MS Word) bestanden, SMS-, WhatsApp- of Signal berichten) in de periode van 1 januari 2015 tot en met de datum van dit vonnis die zien op [eiser 1] en/of de steengroeven, waaronder in ieder geval (doch niet beperkt tot) alle correspondentie en documentatie over:
a. de aard en omvang van de netwerkactiviteiten die [gedaagde] verricht zou hebben en waarvoor [gedaagde] direct of indirect een vergoeding heeft ontvangen;
b. de afspraken die zijn gemaakt tussen [gedaagde] en [naam 4] over (de verkoop van) de steengroeven, introductie van [eiser 1] en/of anderszins;
c. de (totstandkoming van de) overeenkomst van 12 april 2016 en de uitvoering daarvan;
d. het gebruik van de derdengeldenrekening van [gedaagde] en de overboekingen van in totaal € 10.850.000 naar Corporate Real Estate;
e. de bemiddelingspogingen (waaronder de totstandkoming van de schikkingsovereenkomst);
f. procedures die [gedaagde] als advocaat heeft behandeld voor [eiser 1] ; en
g. het FIOD-onderzoek;
subsidiair: toewijzing van de hierboven genoemde vordering onder de voorwaarde en beperking zoals genoemd in randnummer 133 tot en met 135 van de dagvaarding;
B. ten aanzien van de beslagen bescheiden
I. de gerechtelijk bewaarder (DigiJuris) te machtigen een selectie te maken van de beslagen bescheiden zoals beschreven in randnummer 107 van de dagvaarding (‘fuzzy search’) en op basis van de zoektermen zoals genoemd in Annex I bij de dagvaarding;
II. [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan de gerechtelijk bewaarder schriftelijk en ondubbelzinnig opdracht te geven om de op 30 november 2022 in beslag genomen bescheiden zo spoedig mogelijk aan de advocaat van [eiser 1] te verstrekken, voor zover deze onder de door de gerechtelijk bewaarder gemaakte selectie vallen, en van deze opdracht een afschrift te verstrekken aan de advocaat van [eiser 1] ;
subsidiair: toewijzing van de hierboven genoemde vorderingen onder de voorwaarde en beperking zoals genoemd in randnummer 133 tot en met 135 van de dagvaarding;
ten aanzien van A. en B.
III. ieder van voornoemde bevelen en veroordelingen op straffe van een eenmalige dwangsom van € 250.000 en voorts op straffe van een periodieke dwangsom van € 100.000 per dag of gedeelte van een dag;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de beslagkosten ex artikel 706 Rv (tot op heden zijn begroot op € 5.273,18), te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] vordert in reconventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:(1) het op 30 november 2022 door [eiser 1] en Sarabel ten laste van [gedaagde] gelegde bewijsbeslag met onmiddellijke ingang op te heffen; (2) [eiser 1] en Sarabel te bevelen al het in beslag genomen materiaal te doen vernietigen, op straffe van dwangsommen; (3) [eiser 1] en Sarabel te bevelen aan de advocaat van [gedaagde] te bevestigen dat aan het bevel tot vernietiging is voldaan, op straffe van dwangsommen; (4) [eiser 1] en Sarabel te bevelen bij elk volgend verzoek tot het leggen van beslag ten laste van [gedaagde] de voorzieningenrechter te voorzien van een kopie van dit vonnis, op straffe van een dwangsom; (5) met veroordeling van [eiser 1] en Sarabel in de proces- en nakosten.
4De standpunten van partijen
[eiser 1] en Sarabel
4.1.
[eiser 1] en Sarabel stellen – samengevat weergegeven – dat [eiser 1] het slachtoffer is geworden van een geraffineerde oplichting door [naam 4] . [eiser 1] heeft nog geen cent teruggezien van de bijna € 100 miljoen (inclusief rente en kosten) die hij op dit moment van [naam 4] tegoed heeft. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk of [naam 4] de steengroeven in Iran daadwerkelijk heeft verworven. Uit het strafdossier van de FIOD volgt dat [naam 4] wordt verdacht van verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen. Uit dit dossier komt een ontluisterend beeld naar voren van het jetset-leven dat [naam 4] zich heimelijk aanmat met het geld van [eiser 1] . [naam 4] heeft in een paar jaar tijd tientallen miljoenen euro’s over de balk gegooid (casino’s, luxe jachten, privévliegtuigen, horloges, kunst etc.). Zonder tussenkomst van [gedaagde] was [eiser 1] nooit een samenwerking met [naam 4] aangegaan. [gedaagde] heeft vervolgens op cruciale momenten in het proces een dubbelrol vervuld en daarbij misbruik gemaakt van zijn jarenlange vertrouwensrelatie met [eiser 1] .
4.2.
[eiser 1] besloot in eerste instantie om € 10.000.000,- te investeren in de steengroeven in Iran. Wegens tijdsdruk kwamen [eiser 1] en [naam 4] een summiere leningsovereenkomst en een letter of intent overeen. Het was de bedoeling om op een later moment een uitvoerige samenwerkingsovereenkomst op te stellen, maar dat vlotte niet of nauwelijks. Hierdoor verslechterden de verhoudingen. [gedaagde] zou daarom als onafhankelijk bemiddelaar, en niet als advocaat, optreden. Opmerkelijk is dat [gedaagde] [eiser 1] tijdens die onderhandelingen nog wist te verleiden om nogmaals een bedrag van € 10.850.000,- aan [naam 4] ter beschikking te stellen. [gedaagde] opperde toen ook het gebruik van zijn derdengeldrekening om dat bedrag aan [naam 4] te kunnen doen toekomen. Dat [gedaagde] dit bedrag vervolgens aan Corporate Real Estate heeft overgemaakt, en niet aan [naam 4] , wist [eiser 1] niet. Had hij dit geweten dan had hij hierover uiteraard kritische vragen gesteld. Inmiddels is [eiser 1] bekend dat Corporate Real Estate een van de verdachten is in het onderzoek van het OM en eigenaar is geworden van vier panden in Nederland (met een waarde van € 12.500.000,-), waarop het OM beslag heeft gelegd. Tijdens een getuigenverhoor bij de FIOD is [eiser 1] voorgehouden (en dit is ook in het strafdossier opgenomen) dat [gedaagde] een bedrag van ten minste € 450.000,- heeft ontvangen van [naam 4] voor ‘netwerkactiviteiten’ en dat [gedaagde] door [naam 4] een ‘verkoopbonus’ van € 10.000.000,- in het vooruitzicht is gesteld wanneer de steengroeven worden doorverkocht. Van dit laatste bedrag is reeds € 150.000,- aan [gedaagde] betaald.
Beoordeling
5.1.
Op grond van het [partij] -arrest van de Hoge Raad van
13 september 2013 gelden bij bewijsbeslag de volgende algemene uitgangspunten: - bewijsbeslag kan slechts plaatsvinden onder de in artikel 843a Rv gestelde voorwaarden; - het verlof om bewijsbeslag te leggen geeft geen verdergaande aanspraken dan de bewaring van de in beslag genomen bescheiden; - het verlof, noch de beslaglegging zelf, geeft de beslaglegger recht op afgifte, inzage of afschrift in of van de beslagen bescheiden;
- in het inleidende verzoekschrift dienen de in beslag te nemen bescheiden zo precies mogelijk te worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd, omdat de beslaglegging niet mag ontaarden in een fishing expedition;- de verzoeker dient zijn belang bij de beslaglegging voldoende aannemelijk te maken, alsmede feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de beslaglegging met het oog daarop noodzakelijk is;
- verlof voor de beslaglegging wordt niet gegeven indien de bescherming van de eventuele vertrouwelijkheid van de in beslag te nemen bescheiden onvoldoende is gewaarborgd.
5.2.
Een vordering tot inzage op grond van artikel 843a Rv moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden. Van een algemeen inzagerecht is geen sprake. Artikel 843a Rv is bedoeld voor de situatie dat de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft. Een zeer ruime en generieke omschrijving van de gegevens waarin inzage wordt verlangd, staat in de weg aan toewijzing van een vorderingen op grond van artikel 843a Rv. Dit artikel biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan een partij hoopt dat zijn wederpartij daarover beschikt en waarvan hij vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen.5.3. Vordering A ziet op bescheiden waarover [gedaagde] direct of indirect kan beschikken. Vordering A is onderverdeeld in de onderdelen i. tot en met vi. De onderdelen i., iii., iv. en vi. zien niet op bepaalde bescheiden, zoals hiervoor bedoeld. Weliswaar kan in het kader van artikel 843a Rv niet worden verlangd dat elk document waarin inzage wordt gevorderd precies bij naam wordt genoemd, maar de omschrijving in de onderdelen i., iii., iv. en vi. is te ruim en te generiek om in dit kort geding de inzagevordering te kunnen toewijzen. Het gaat dan immers om het “gehele” bemiddelingsdossier inclusief “alle communicatie”, “alle” concepten van de overeenkomst van 12 april 2016 en “alle correspondentie” over die overeenkomst, “alle bescheiden” waaruit betalingen tussen [gedaagde] en [naam 4] blijken en “correspondentie en documentatie” gewisseld tussen [gedaagde] en [naam 4] en tussen [gedaagde] en een viertal bij naam genoemde advocaten van [naam 4] “in de periode van 1 januari 2015 tot en met datum te wijzen vonnis”. Voorshands zal inzage in deze bescheiden ontaarden in een fishing expedition en reeds daarom is de vordering voor zover die ziet op deze bescheiden niet toewijsbaar.
5.4.
Terzijde wordt overwogen dat de voorzieningenrechter in haar beschikking van 7 oktober 2022 (zie 2.16) geen verlof heeft verleend tot het leggen van beslag op rekeningafschriften en het verlof tot het leggen van beslag op correspondentie heeft beperkt tot correspondentie tussen [gedaagde] en [naam 4] . Bovendien is alleen verlof verleend tot het leggen van beslag op de corresponentie tussen [gedaagde] en [naam 4] die is gevoerd met gebruikmaking van de onder randnummer 130 van het verzoekschrift genoemde e-mailadressen. Ook dient bij het leggen van het beslag gebruik te worden gemaakt van de onder randnummer 130 van het verzoekschrift genoemde zoektermen. Er is dus geen verlof verleend tot het leggen van beslag op alle correspondentie tussen [gedaagde] en [naam 4] en evenmin op correspondentie tussen [gedaagde] en (andere) advocaten van [naam 4] . Weliswaar ziet vordering A niet op de beslagen bescheiden, maar [eiser 1] kan niet op deze wijze de beschikking van de voorzieningenrechter omzeilen. Verder kan niet kan worden uitgesloten dat de geheimhoudingsplicht van de andere advocaten van [naam 4] zou worden geschonden indien deze inzage zou worden toegestaan, hetgeen voorshands een gewichtige reden vormt als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv, en dus eveneens in de weg staat aan toewijzing van deze inzagevordering.
5.5.
Onderdeel ii. van vordering A ziet op inzage in de overeenkomst tussen [gedaagde] en [naam 4] van 12 april 2016, waarin [naam 4] [gedaagde] een ‘verkoopbonus’ van € 10.000.000,- in het vooruitzicht stelt. [eiser 1] is op de hoogte van het bestaan van deze overeenkomst, omdat die wordt genoemd en beschreven in het strafdossier tegen [naam 4] , waarvan [eiser 1] kopieën heeft ontvangen. Deze overeenkomst is voldoende bepaald in de zin van artikel 843a Rv. Hetzelfde geldt voor onderdeel v. van vordering A. Dit onderdeel betreft immers de twee bij naam genoemde ordners en de twee A4-documenten die door de deurwaarder in beslag zijn genomen. Of en in hoeverre de onderdelen ii. en v. van vordering A toewijsbaar zijn, wordt hierna beoordeeld.
5.6.
Uit artikel 843a Rv volgt voorts dat degene die inzage vordert daarbij een rechtmatig belang dient te hebben en dat het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking. In dit kader hebben [eiser 1] en Sarabel gesteld, dat volgens hen sprake is van een redelijk vermoeden (ofwel een voldoende mate van aannemelijkheid) dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen en/of wanprestatie, dat zij om die reden een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig zullen maken en dat een en ander toewijzing rechtvaardigt van de vorderingen in conventie.
5.7.
[eiser 1] en Sarabel hebben echter nog geen bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt. Het is thans aan [eiser 1] en Sarabel om in een bodemdagvaarding (beter dan zij tot nu toe hebben gedaan) uiteen te zetten op welke gronden zij een vordering menen te hebben op [gedaagde] . [gedaagde] heeft in dit geding terecht aangevoerd dat de door [eiser 1] genoemde rechtsbetrekkingen (vooralsnog) niet veel om het lijf hebben. Dit staat dan ook in de weg aan inzage. Met name is van de zijde van [eiser 1] onvoldoende uit de verf gekomen dat de bemiddelende rol van [gedaagde] in het voordeel van [naam 4] en in het nadeel van [eiser 1] heeft uitgepakt. Ook zijn [gedaagde] dat [gedaagde] een dubbelrol vervulde heeft hij onvoldoende handen en voeten gegeven. In dit kader heeft [eiser 1] aangevoerd dat [gedaagde] vertrouwelijke informatie over [eiser 1] met de advocaten van [naam 4] heeft gedeeld, een vertrouwelijke e-mail van [eiser 1] aan [naam 4] heeft overhandigd en vertrouwelijke informatie over het FIOD-onderzoek heeft gedeeld met [naam 4] , maar dit alles is door [gedaagde] gemotiveerd bestreden. In dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten, kan dit niet nader worden uitgezocht. Weliswaar doen de aanzienlijke betalingen die [naam 4] aan [gedaagde] heeft gedaan dan wel in het vooruitzicht heeft gesteld de wenkbrauwen fronsen (ook als [gedaagde] hierbij niet optrad in de hoedanigheid van advocaat), maar op grond van dit enkele feit is het niet reeds voldoende aannemelijk dat [gedaagde] zich jegens [eiser 1] schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen en/of wanprestatie. Van concrete aanwijzingen dat [eiser 1] (een doorgewinterde zakenman) door [gedaagde] onder druk is gezet of dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat [eiser 1] in hem stelde, is niet gebleken. [eiser 1] was niet op de mondelinge behandeling van dit kort geding aanwezig om een en ander nader toe te lichten of vragen van de voorzieningenrechter hierover te beantwoorden.
Beoordeling
Artikel 21 Rv
6.2.
Aan de opheffing van het bewijsbeslag heeft [gedaagde] allereerst schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv ten grondslag gelegd. Het beslagrekest bevat volgens [gedaagde] onwaarheden en onvolledigheden. Die onwaarheden of onvolledigheden (waarvan volgens [gedaagde] sprake is) zijn niet van dien aard dat hierin een zelfstandige grond voor opheffing van het beslag kan zijn gelegen. Opheffing van een beslag op grond van artikel 21 Rv vereist misleiding op essentiële punten, waarbij aannemelijk moet zijn dat het beslagverlof niet was verleend, indien die misleiding niet had plaatsgevonden. Daarvan is voorshands geen sprake. In het beslagrekest heeft [eiser 1] niet meer gedaan dan zijn kijk gegeven op de waarheid, en dat die kijk niet overeenkomt met die van [gedaagde] ligt voor de hand. Overigens gaat [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord zo gedetailleerd en feitelijk in op een groot aantal “onwaarheden en onvolledigheden” dat de juistheid daarvan in dit kort geding, waarin geen plaats is voor een nader onderzoek naar de feiten, niet kan worden vastgesteld.
Verschoningsrecht
6.3. [gedaagde] heeft zich voorts beroepen op zijn verschoningsrecht als advocaat. Dit moet ertoe leiden, aldus [gedaagde] , dat het bewijsbeslag wordt opgeheven. Het enkele feit dat [gedaagde] staat ingeschreven als advocaat brengt echter niet mee dat hem om die reden reeds een verschoningsrecht toekomt. Of [gedaagde] een beroep op het verschoningsrecht toekomt, hangt af van de vraag in welke hoedanigheid hij optrad in de verhouding tussen [eiser 1] en [naam 4] . Alleen als hij als advocaat heeft bemiddeld komt hem uit dien hoofde het verschoningsrecht toe. In dit geval kan uit e-mails en brieven van [gedaagde] zelf worden afgeleid dat [gedaagde] niet – zoals hij stelt – als advocaat is opgetreden, maar als bemiddelaar. [eiser 1] heeft in dit verband verwezen naar e-mails van [gedaagde] uit augustus en oktober 2016, uit januari 2018, uit januari en februari 2019 en uit juni 2020 waarin [gedaagde] (bijvoorbeeld) schrijft: “voor geen van beide partijen als advocaat op[treedt]”“gevraagd om te bemiddelen”“als bemiddelaar”“niet in opdracht van [naam 4]” “als mediator”“de rol van bemiddelaar [heeft] vervuld en [is] blijven vervullen”“al jarenlang advocaat [is] van [eiser 1] en [naam 4]” en daarom “niet voor hen allebei kan optreden”“deze opdracht niet als advocaat [kan] aannemen”“aansprakelijkheid voor een juridische fout bij de uitwerking en uitvoering van de schikking sowieso niet [kan] accepteren want omdat ik niet als advocaat optreed en ik ook niet [ben] verzekerd tegen dergelijke aansprakelijkheid”In een brief van 16 februari 2017 heeft [gedaagde] aan [eiser 1] en [naam 4] het volgende geschreven: “Zoals jullie begrijpen is er in 2016 voor mij erg veel tijd aan het dossier besteed. Ik heb er meer dan 100 uur in zitten, maar er is ook tijd verloren gegaan aan het bespreken van mijn exacte rol nu ik in deze niet als advocaat maar als mediator optreed.”In een e-mail van 14 februari 2019 heeft [gedaagde] geschreven: “ik wil graag (…) dat beide partijen verklaren zich er volledig van bewust te zijn dat ik datgene wat van mij wordt gevraagd niet als hun advocaat kan doen (want ik ben van beide partijen nog steeds advocaat in andere zaken) omdat er dan sprake is van het optreden ten behoeve van twee partijen die een duidelijk tegenstrijdig belang hebben; gelet op het voorgaande zal ik, als partijen desalniettemin willen dat ik deze opdracht uitvoer, deze opdracht als bemiddelaar op mij nemen.”Niet alleen valt in het licht van deze (vele) correspondentie niet in te zien hoe [gedaagde] thans het standpunt kan innemen dat hij wél heeft opgetreden als advocaat, ook is voldoende aannemelijk dat [eiser 1] en [naam 4] [gedaagde] zagen als bemiddelaar en niet als advocaat. De hiervoor geciteerde e-mails en brieven van [gedaagde] waren immers gericht aan [eiser 1] en [naam 4] , en niet is gesteld of gebleken dat [eiser 1] of [naam 4] ooit te kennen heeft gegeven het met de inhoud hiervan niet eens te zijn. Dat [gedaagde] niet als advocaat optrad wordt verder onderstreept door het feit dat zowel [eiser 1] als [naam 4] in het gehele proces nog werden bijgestaan door (andere) advocaten.
6.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zijn werkzaamheden werden gefactureerd door zijn advocatenkantoor, dat zijn werkzaamheden vielen onder zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering als advocaat, dat rekening werd gehouden met de gedragsregels en het tuchtrecht voor advocaten en dat hij bepaalde werkzaamheden op zich nam, juist met het oog op de hem rustende geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht. Deze omstandigheden leggen tegenover de sterke aanwijzingen die hiervoor zijn opgenomen dat [gedaagde] juist niet als advocaat optrad onvoldoende gewicht in de schaal.
6.5.
Dat de rechter-commissaris in zijn beschikking van 8 juli 2022 het beroep van [gedaagde] op zijn verschoningsrecht heeft gehonoreerd, maakt het voorgaande evenmin anders. Voorshands heeft [eiser 1] voldoende aannemelijk gemaakt dat de rechter-commissaris niet beschikte over de gehele (hiervoor weergegeven) correspondentie van de hand van [gedaagde] . Hetzelfde geldt voor het oordeel van de deken, die eveneens het beroep van [gedaagde] op zijn verschoningsrecht heeft gehonoreerd. Dit oordeel lijkt volledig te zijn gebaseerd op het oordeel van de rechter-commissaris. Dit alles leidt tot de conclusie dat er voorshands vanuit moet worden gegaan dat [gedaagde] zich niet als advocaat op zijn verschoningsrecht kan beroepen.
Gang van zaken rondom de beslaglegging
6.6. Tot slot heeft [gedaagde] het standpunt ingenomen dat de gang van zaken rondom de beslaglegging een grond vormt voor opheffing van het beslag. [gedaagde] heeft de beslaglegging, blijkens zijn in het geding gebrachte schriftelijk verslag en toelichting tijdens de mondelinge behandeling, als bijzonder naar en intimiderend (en dus als onrechtmatig) ervaren, hetgeen ook gold voor zijn zoon en echtgenote die bij de beslaglegging aanwezig waren. De deurwaarder, die aanwezig was op de mondelinge behandeling van dit kort geding, heeft een en ander weersproken. Hij herkent zich niet in het verslag van [gedaagde] en heeft naar eigen zeggen [gedaagde] een goede uitleg gegeven over de gang van zaken. Ook heeft de deurwaarder verklaard geen inhoudelijke informatie in zijn proces-verbaal te hebben opgenomen of dergelijke informatie aan (de advocaten van) [eiser 1] te hebben verstrekt. Desondanks heeft [gedaagde] hem beschuldigd van corruptie en zijn neutrale positie in twijfel getrokken, aldus de verklaring van de deurwaarder.
6.7.
Duidelijk is dat [gedaagde] en de deurwaarder de gang van zaken tijdens de beslaglegging totaal anders hebben ervaren. Weliswaar is begrijpelijk dat [gedaagde] de beslaglegging, die in zijn woning heeft plaatsgevonden, als een ernstige inbreuk op zijn privacy heeft ervaren, maar hoe die beslaglegging precies is verlopen kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. Dat de deurwaarder in zijn proces-verbaal van de twee in beslag genomen ordners het opschrift heeft vermeld, wordt voorshands niet als een schending van zijn geheimhoudingsplicht aangemerkt. Na de beslaglegging heeft de beslaglegger er recht op en belang bij om te weten of het beslag doel heeft getroffen. Het is de deurwaarder toegestaan hierover in globale en abstracte termen aan zijn opdrachtgever te berichten, opdat de opdrachtgever een afweging kan maken over de te nemen vervolgstappen. Dat het ‘hele hebben en houwen’ van [gedaagde] (zowel geprivilegieerd materiaal, maar ook privé-informatie) thans onversleuteld bij DigiJuris ligt, vormt evenmin een reden om tot opheffing van het beslag te komen. Er moet vanuit worden gegaan dat alle informatie bij DigiJuris veilig ‘in de kluis’ ligt. Dat sprake zou zijn van mogelijke beveiligingsrisico’s bij DigiJuris is voorshands niet aannemelijk.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
7.2.
veroordeelt [eiser 1] en Sarabel in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.393,00,
7.3.
veroordeelt [eiser 1] en Sarabel in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,
7.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
7.5.
weigert de gevraagde voorzieningen,
7.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en Sarabel tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2023.
ECLI:NL:RBAMS:2017:8885
ECLI:NL:HR:2013:BZ9958
Vgl. de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3377 en van 15 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3098
Zie onder meer ECLI:NL:HR:2009:BG9470, ECLI:NLHR:2010:BJ9262 en ECLI:NL:HR:2022:760
Vgl. Rechtbank Haarlem 27 juli 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BR4466
type: MV
coll: JT
Geschil
Een en ander volgt uit een geheime overeenkomst tussen [gedaagde] en [naam 4] van 12 april 2016 die bij een doorzoeking van een pand van [naam 4] is gevonden. Dergelijke transacties kunnen het daglicht niet verdragen en dit alles is dan ook verzwegen voor [eiser 1] . [eiser 1] kan niet anders concluderen dan dat [gedaagde] zich door [naam 4] heeft laten omkopen. [gedaagde] had om die reden een eigen belang om [naam 4] in de bemiddeling te bevoordelen ten koste van [eiser 1] . [gedaagde] deed dit door steeds sturend op te treden en druk uit te oefenen op [eiser 1] (onder meer bij het ondertekenen van de schikkingsovereenkomst).
4.3.
[eiser 1] wenst niet alleen tegen [naam 4] maar ook tegen [gedaagde] civielrechtelijke acties te ondernemen. [eiser 1] heeft bewijsbeslag ten laste van [gedaagde] gelegd om alle mogelijke opties tot verhaal van zijn schade op [gedaagde] te kunnen onderzoeken. [eiser 1] wenst thans inzage in het beslagen materiaal. [eiser 1] vordert afschrift van (a) bescheiden waarover [gedaagde] direct of indirect kan beschikken en van (b) bescheiden die door de deurwaarder in beslag zijn genomen. Mogelijk is sprake van een overlap, maar [eiser 1] meent dat hij belang heeft bij toewijzing van beide vorderingen. Van de beslagen bescheiden dient de gerechtelijk bewaarder immers een selectie te maken aan de hand van de zoektermen die in Annex 1 bij de dagvaarding zijn opgenomen. Het kan zijn dat hierbij niet alle relevante bescheiden boven water komen.
4.4.
De gevorderde bescheiden zien, aldus [eiser 1] , op rechtsbetrekkingen waarbij [eiser 1] partij is als bedoeld in artikel 843a Rv. Die rechtsbetrekkingen bestaan uit de volgende vorderingen en grondslagen: (1) [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiser 1] door misbruik te maken van het vertrouwen dat [eiser 1] in hem stelde, onder meer door in het geheim betalingen aan te nemen van [naam 4] . Voor zover [naam 4] geen volledig verhaal biedt voor de vorderingen uit hoofde van de leningsovereenkomsten, betekent dit dat [eiser 1] schade heeft geleden waarvoor [gedaagde] mogelijk (mede) aansprakelijk kan worden gesteld. (2) [eiser 1] heeft een vordering tot vernietiging van de bemiddelingsovereenkomst wegens bedrog en/of dwaling. (3) [eiser 1] heeft uit hoofde van wanprestatie een vordering op [gedaagde] tot terugbetaling van de vergoeding die aan [gedaagde] is betaald voor zijn bemiddelende werkzaamheden. (4) [eiser 1] heeft een vordering op [naam 4] van ruim € 75 miljoen. [naam 4] neemt in de bodemprocedure die [eiser 1] tegen hem heeft aangespannen stellingen in over de rol van [gedaagde] die [eiser 1] in die procedure moet kunnen weerleggen. (5) [eiser 1] heeft vorderingen op [naam 4] en [gedaagde] uit hoofde van groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW). [eiser 1] heeft ook een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv. Het gaat dan om een bewijsbelang in de eerder genoemde procedures tegen [gedaagde] en [naam 4] . [eiser 1] heeft verder belang bij afgifte van de overeenkomst van 12 april 2016 waarin de vergoeding van [gedaagde] van € 10.000.000,- is opgenomen. [eiser 1] dient een compleet beeld te krijgen van de heimelijke en onrechtmatige afspraken tussen [gedaagde] en [naam 4] . Hetzelfde geldt voor openbaarmaking van de rekeningafschriften en voor alle (e-mail)correspondentie tussen [gedaagde] en [naam 4] . Tot slot geldt in het kader van artikel 843a Rv dat de gevorderde bescheiden voldoende bepaalbaar zijn. Dat geldt in ieder geval voor de overeenkomst van 12 april 2016 en voor de twee in beslag genomen ordners (een rode ordner met opschrift “Mediation” en een zwarte ordner met opschrift “AMB 040”). Dat voor de rest niet alle bescheiden afzonderlijk kunnen worden gespecificeerd staat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad niet aan toewijzing van de exhibitievordering in de weg.
4.5.
Tot slot stellen [eiser 1] en Sarabel dat zij een spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vorderingen in conventie. Zij bereiden een bodemprocedure voor tegen [gedaagde] en de mondelinge behandeling in de procedure tegen [naam 4] zal plaatsvinden op 13 juni 2023. Een vordering op grond van artikel 843a Rv is bovendien naar zijn aard spoedeisend.
[gedaagde]
4.6.
[gedaagde] heeft – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Vanwege de omvang en complexiteit van de zaak leent de inzagevordering zich niet voor een kort geding. De verdenking van oplichting aan het adres van [naam 4] komt uit de koker van [eiser 1] zelf, die de FIOD bewust op het verkeerde spoor heeft gezet. [eiser 1] heeft bij de FIOD onder meer verzuimd uit te leggen hoe het betalingsverkeer met Iran (door de sancties tegen dit land) noodzakelijkerwijs dient te verlopen, dat voor het doen van betalingen aan Iran alternatieve routes nodig zijn, dat op het eerste oog ongebruikelijke transacties zich dus zeer wel laten verklaren en dat het bedrag van ongeveer 75 miljoen euro wel degelijk is gebruikt voor de verkrijging van licenties en voor de exploitatie van de steengroeven. [eiser 1] beschikt al sinds 25 september 2016 over het bewijs dat de licenties zijn verkregen en heeft dit bewust verzwegen. Dit alles maakt onderdeel uit van een lastercampagne die [eiser 1] is gestart met als doel de reputatie en goede naam van [naam 4] te beschadigen. Het OM heeft de verdenking van oplichting aan het adres van [naam 4] inmiddels laten vallen.
4.7.
Ook de verwijten van [eiser 1] aan het adres van [gedaagde] zijn onterecht. Van omkoping is geen sprake. [eiser 1] heeft verzuimd toe te lichten op welke punten [gedaagde] in het nadeel van [eiser 1] zou hebben bemiddeld. Van een schending van het vertrouwen dat [eiser 1] in [gedaagde] stelde is evenmin sprake. Iedereen die [eiser 1] kent weet dat hij zich door niets en niemand laat sturen en meer dan goed in staat is zijn eigen boontjes te doppen.
4.8.
[gedaagde] heeft – niet als advocaat maar als ondernemer – [eiser 1] en [naam 4] met elkaar in contact gebracht. [naam 4] heeft [gedaagde] al eind 2015 toegezegd hem voor die rol te willen belonen, welke toezegging hij nadien is nagekomen. Van een geschil met [eiser 1] was op dat moment nog geen sprake. Een beloning bij dit soort investeringsprojecten is bepaald niet ongebruikelijk. Hiermee is de betaling van € 150.000,- verklaard die [gedaagde] als commissie heeft ontvangen. Het bedrag van € 300.000,- dat [naam 4] aan een vennootschap van [gedaagde] heeft betaald ziet op een voorschot op commissies voor het in contact brengen van [naam 4] met andere relaties van [gedaagde] met het oog op andere projecten. Overigens is [eiser 1] al sinds mei 2020 bekend met de betaling van € 450.000,- aan (een vennootschap van) [gedaagde] . Van belang hierbij is dat [gedaagde] zich vanaf 2016 naast zijn advocatenpraktijk is gaan bezighouden met ondernemen en netwerkactiviteiten, waarbij hij uit zijn grote netwerk de juiste mensen bij elkaar brengt voor specifieke projecten en investeringen, hetgeen [eiser 1] niet kan zijn ontgaan.
4.9.
Dat [gedaagde] het bedrag van € 10.850.000,- van zijn derdengeldrekening naar Corporate Real Estate heeft overgemaakt is alleszins begrijpelijk. [naam 4] was immers naar [woonplaats] verhuisd en zijn Nederlandse bankrekeningen waren om die reden opgeheven. Onjuist is de stelling van [eiser 1] dat [gedaagde] hem zou hebben ‘verleid’ om die laatste lening nog te verstrekken.
4.10.
Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser 1] in zijn beslagrekest op de volgende punten de volledigheids- en waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Bij een juiste voorstelling van zaken was het beslagverlof niet verleend. Dit dient te leiden tot opheffing van het beslag. (1) [gedaagde] krijgt het onterechte verwijt dat hij vertrouwelijke informatie over het FIOD-onderzoek voortijdig heeft doorgespeeld. Dit is een harde leugen.
Geschil
(2) [gedaagde] krijgt het onterechte verwijt dat hij informatie afkomstig uit dossiers van [eiser 1] zou hebben gedeeld. (3) [eiser 1] stelt met betrekking tot de gesprekken in juni 2020 (zie 2.11) ten onrechte dat [gedaagde] namens [naam 4] actief op zoek was naar nieuwe investeerders en dat [gedaagde] [eiser 1] zou hebben gevraagd of hij bereid zou zijn [naam 4] uitstel van betaling te verlenen.(4) [eiser 1] heeft [gedaagde] telkenmale neergezet als “zelfverklaard onafhankelijk bemiddelaar”. Deze term wekt een geheel verkeerde indruk. Ook heeft [eiser 1] gesteld dat hij zwaar heeft geleund op het vertrouwen dat hij in [gedaagde] stelde. [eiser 1] verzwijgt echter dat hij deze verwijten schriftelijk heeft ingetrokken in een brief aan de voorzieningenrechter, ten tijde van een kort geding dat eerder aanhangig was. Verderop in zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] nog een elftal schendingen opgenomen van de waarheidsplicht, zoals neergelegd in artikel 21 Rv.
4.11.
[gedaagde] doet voorts een beroep op zijn verschoningsrecht als advocaat. Dit moet volgens [gedaagde] leiden tot opheffing van het beslag. [gedaagde] heeft de beslagen bescheiden verkregen in zijn hoedanigheid van advocaat, zoals onder meer blijkt uit de bemiddelingsovereenkomst van 29 maart 2019. [gedaagde] was juist als bemiddelaar aangesteld omdat hij als advocaat een geheimhoudingsplicht heeft. [gedaagde] heeft vervolgens als advocaat van elk van partijen zowel schriftelijk als mondeling informatie verkregen waarvan het niet de bedoeling was dat die met de ander werd gedeeld. De rechter-commissaris van deze rechtbank heeft in een beschikking van 8 juli 2022 het verschoningsrecht van [gedaagde] (waarop hij zich had beroepen ten tijde van het verhoor bij de FIOD op 21 januari 2020) gehonoreerd, net als de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam . Overigens valt correspondentie tussen [gedaagde] en andere advocaten van [naam 4] onder de geheimhoudingsplicht van die andere advocaten.
4.12.
De gang van zaken rondom de beslaglegging was onrechtmatig, aldus [gedaagde] . In het beslagrekest wordt hij neergezet als een halve crimineel die bewijsmateriaal zal vernietigen of verduisteren. Tijdens de beslaglegging is het er bepaald niet vriendelijk aan toegegaan. Het hele hebben en houwen van [gedaagde] ligt thans onversleuteld bij DigiJuris. Het beslagen materiaal bevat zowel geprivilegieerd materiaal als privé-informatie van [gedaagde] , zoals medische gegevens en gegevens met betrekking tot testamenten. Ook heeft de deurwaarder in zijn proces-verbaal in beslag genomen materiaal voorzien van een concrete omschrijving, zoals bijvoorbeeld een zwarte ordner met het opschrift “AMB 040”. Voor iedereen is duidelijk dat dit stukken uit een strafdossier betreft. De deurwaarder heeft hierdoor zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft [gedaagde] verklaard dat de beslagen informatie bij DigiJuris niet veilig is. Hij heeft twee beveiligingsrisico’s geanalyseerd bij DigiJuris. Dit geeft [gedaagde] een ongemakkelijk gevoel omdat er een reëel risico is dat derden bij de beslagen informatie kunnen. Dit alles dient te leiden tot opheffing van het beslag, aldus [gedaagde] .
4.13.
Tot slot voert [gedaagde] aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Alle genoemde rechtsbetrekkingen hebben niet veel om het lijf en vormen geen rechtvaardiging voor het bewijsbeslag noch voor inzage in het beslagen materiaal. Van een onrechtmatige daad kan geen sprake zijn, omdat de werkzaamheden van [gedaagde] hebben plaatsgevonden op een contractuele grondslag. Met de rechtsbetrekking die verwijst naar de vordering op [naam 4] tot terugbetaling van de geleende bedragen, komt de aap uit de mouw. [gedaagde] had namelijk al een donkerbruin vermoeden dat het [eiser 1] eigenlijk te doen is om het verzamelen van bewijs in de procedure tegen [naam 4] . Via een civiele exhibitievordering probeert [eiser 1] thans inzage te verkrijgen in documenten die hem in het kader van de strafzaak tegen [naam 4] zijn geweigerd, terwijl [eiser 1] opvallend genoeg tegen [naam 4] geen exhibitievordering heeft ingesteld. Dit vormt tevens een gewichtige reden als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv om de beslagen bescheiden niet aan [eiser 1] af te geven, aldus steeds [gedaagde] .
4.14.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.