Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-19
ECLI:NL:RBAMS:2023:6805
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/187031-23
Datum uitspraak: 19 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 28 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juni 2023 door the Regional Court in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [PI] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 september 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem, zijn niet verschenen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op voorhand voor bepaalde tijd geschorst, omdat de zittingsdatum van 21 september 2023 niet vooraf met de raadsman was afgestemd en hij die dag was verhinderd.
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 12 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Nieuwenhuis, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and non-appealable judgement of the District Court in Myślibórz van 23 januari 2020 (II K 553/19).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Uit aanvullende informatie van 1 augustus 2023 blijkt het vonnis van 23 januari 2020 (II K 553/10) in hoger beroep door the Regional Court in Szszecin bij arrest van 19 april 2021 (IV Ka 822/20) in stand is gelaten.
De raadsman heeft aangevoerd dat alleen het proces in hoger beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zitting in hoger beroep en geen van de omstandigheden van artikel 12, sub a tot en met d, OLW hebben zich voorgedaan. Daarbij zegt de opgeëiste persoon niets te weten van de veroordeling. Hij heeft ontkend dat hij een adresinstructie heeft gekregen en dat hij in eerste aanleg bij de zittingen aanwezig was. Uit de stukken blijkt ook niet hoe en wanneer hij de adresinstructie heeft gekregen. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld en dat dus alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is van toepassing, maar in dit geval kan van de toepassing van de weigeringsgrond worden afgezien, aldus de officier van justitie.
De rechtbank overweegt dat als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dat dan de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 1 augustus 2023 en 8 augustus 2023 is niet duidelijk of de zaak van de opgeëiste persoon in hoger beroep ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom zekerheidshalve zowel het proces in eerste aanleg als in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
Eerste aanleg
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom met betrekking tot de procedure in eerste aanleg niet aan de orde.
Hoger beroep
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 augustus 2023 en 8 augustus 2023 volgt dat de opgeëiste persoon gedurende de strafrechtelijke procedure een adres heeft opgegeven. Hij is toen gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en op de gevolgen indien hij dit niet zou doen, te weten dat betekening van de dagvaarding aan het laatst bekende adres rechtsgeldig is en dat de procedure in zijn afwezigheid kan worden gevoerd. Deze instructie strekte zich, blijkens de verstrekte informatie, ook uit over de procedure in hoger beroep. De oproep voor de zitting in hoger beroep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Bovendien is gebleken dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep tegen de veroordeling in eerste aanleg heeft ingesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces in hoger beroep en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces in hoger beroep, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon onder meer is veroordeeld voor artikel 157, tweede lid, van het Poolse Wetboek van Strafrecht. Dit artikel is, gezien de bewoordingen ervan, niet vergelijkbaar met enige Nederlandse strafbepaling. Er is dus geen sprake van een naar Nederlands recht strafbaar feit. De overlevering moet voor de voordeling voor dat naar Pools recht strafbare feit worden geweigerd, aldus de raadsman.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Feiten
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel valse sleutels, meermalen gepleegd;
opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht/identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang;
telkens: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
mishandeling.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 231, 245, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. J. van Zijl en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza); HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (Procureur général près la cour d'appel d'Angers), punt 36; Rb. Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312; Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498; Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).