Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-28
ECLI:NL:RBAMS:2023:6782
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,171 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/106261-22
Datum uitspraak: 28 september 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende op het adres [adres 1], [woonplaats],
nu gedetineerd in [detentieadres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. L’Homme, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [aangeefster] en haar advocaat mr. B. Vossenberg naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Verdachte wordt – kort gezegd – ervan beschuldigd dat hij op 28 april 2022 in Amsterdam [aangeefster] (hierna: [aangeefster]) heeft verkracht met geweld en of bedreiging met geweld.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Verdachte heeft het feit bekend, de verklaring van aangeefster is betrouwbaar en haar verklaring vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte bij het eerste verhoor heeft aangegeven dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de seks tussen hem en [aangeefster] vrijwillig had plaatsgevonden. Verdachte ziet, met terugwerkende kracht, echter in dat aangeefster zich – door het tonen van het mes – onder druk gezet heeft gevoeld en dat dit niet tot vrijwillige seks heeft geleid. Alhoewel verdachte eerder de verkrachting heeft bekend, heeft hij ter zitting verklaard dat zijn penis niet hard kon worden en dat hij weliswaar geprobeerd heeft bij aangeefster seksueel binnen te dringen maar dat dit niet is gelukt. Deze verklaring is volgens de raadsman niet op voorhand ongeloofwaardig, temeer omdat verdachte verdovende middelen had gebruikt. Verder heeft de raadsman partieel vrijspraak bepleit voor het met een mes snijden in de vingers en het dichtknijpen dan wel vastpakken van de keel van aangeefster, omdat hier onvoldoende steunbewijs voor is.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verkrachting met geweld en bedreiging met geweld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Vaststaat dat er geen getuigen aanwezig waren die de handelingen zoals door aangeefster geschetst, kunnen bevestigen. In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs niet uitsluitend kan aannemen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring zijn de verklaringen van aangeefster alleen dan ook onvoldoende. Er moet sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan aangeefster zelf. Daarbij geldt in zedenzaken, dat een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een verkrachting niet als zodanig bevestiging hoeft te vinden in ander bewijs, maar dat het voldoende is dat de verklaring van aangeefster op bepaalde belangrijke punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Er mag daarbij geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal. Het vereiste van ‘voldoende steun’ wordt wel omschreven als een eis van inhoudelijk verband die er vooral toe strekt dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.
De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande voor de vragen gesteld of de verklaring van
aangeefster betrouwbaar is en of deze in voldoende mate steun vindt in ander
bewijsmateriaal.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De rechtbank stelt dat vast aangeefster meerdere keren op gedetailleerde en consistente wijze heeft verklaard over wat haar die nacht is overkomen. Zo heeft zij direct na het incident haar vriend [naam] – die kort daarvoor bij zijn huis was afgezet door verdachte – huilend opgebeld en hem verteld dat zij was verkracht. Vervolgens is zij samen met hem naar het politiebureau gegaan waar zij een verklaring bij een verbalisant heeft afgelegd. Ook heeft zij daarna opnieuw haar verhaal verteld aan twee verbalisanten tijdens een informatief zedengesprek en vervolgens ook in haar aangifte en verhoor. De consistentie van haar verklaringen, in samenhang bezien met het hierna te noemen steunbewijs, maakt de verklaringen van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar.
Haar verklaring komt er – kort gezegd – op neer dat zij in de nacht van 27 op 28 april 2022 samen met een paar vrienden feest aan het vieren was, waarna verdachte haar en een vriend, [naam], met de auto naar huis bracht. Ondanks haar verzoek om eerst thuisgebracht te worden, zette verdachte eerst [naam] thuis af. Vervolgens zou hij haar thuis afzetten. In plaats daarvan parkeerde verdachte de auto op een verlaten parkeerplaats in de buurt van Amsterdam Bijlmer Arena. Verdachte gaf aan dat hij nog een vriend wilde ophalen en vroeg [aangeefster] daarom om op de achterbank te gaan zitten. Hij rookte vervolgens een sigaret en kwam daarna bij haar op de achterbank zitten. Verdachte liet haar daarna plotseling een mes zien en hield het mes dichtbij haar hals. Verdachte hield daarbij met zijn andere hand haar mond dicht omdat zij veel geluid maakte. Hij zei vervolgens tegen aangeefster “Doe je kleren uit”, waarna aangeefster hem smeekte niks te doen. Hij trok daarna haar broek en onderbroek omlaag. Aangeefster probeerde het mes uit de handen van verdachte te pakken, waardoor zij zich sneed en haar handen begonnen te bloeden. Verdachte heeft haar vervolgens op de achterbank gelegd, waarna hij haar met zijn penis zonder condoom vaginaal heeft gepenetreerd. Toen verdachte was gestopt met haar te penetreren heeft hij zijn excuses aangeboden en gezegd dat hij dit had gedaan omdat hij drugs had gebruikt. Hij zei tegen haar dat ze het aan niemand mocht vertellen. Vervolgens heeft verdachte haar thuis afgezet. Eenmaal thuis heeft zij direct haar vriend [naam] gebeld en hem verteld wat er was gebeurd.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij en aangeefster vrijwillig seks hebben gehad. In een later verhoor heeft verdachte verklaard dat hij met een mes in zijn hand om seks heeft gevraagd en vervolgens vaginale seks met aangeefster heeft gehad. Verdachte heeft ter zitting aangegeven zijn verantwoordelijkheid te willen nemen en dat hij het heeft gedaan omdat hij niet helder kon nadenken, aangezien hij onder invloed was van drank en drugs. Verdachte heeft ter zitting echter ook verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of hij daadwerkelijk bij aangeefster is binnengedrongen, omdat zijn penis niet hard kon worden. Hij verklaart dit wel te hebben geprobeerd.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aangeefster heeft verkracht, zodat verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 28 april 2022 te Amsterdam, door geweld en door bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], immers heeft hij, verdachte:
zijn penis in de vagina van die [aangeefster] gebracht, en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte
- die [aangeefster] een mes heeft getoond en
- een hand op de mond van die [aangeefster] heeft gedrukt en
- tegen die [aangeefster] heeft gezegd dat zij haar kleding moest uittrekken en
- de broek en onderbroek van die [aangeefster] naar beneden heeft getrokken.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft zij primair gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd, omdat het gelet op het herhalingsgevaar onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Alhoewel de gedragsdeskundigen bij verdachte alleen een stoornis in gebruik van cocaïne hebben vastgesteld, is eerder een lichtverstandelijke beperking geconstateerd bij verdachte. Ook blijkt uit het milieuonderzoek dat er meerdere zorgwekkende incidenten zijn geweest, waarbij een patroon lijkt te bestaan in seks met geweld. Gelet hierop zijn volgens de officier van justitie – in onderlinge samenhang bezien – voldoende aanwijzingen dat bij verdachte ten tijde van het strafbare feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verder vergt de beveiliging van de maatschappij deze maatregel. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd een gevangenisstraf van aanzienlijk langere duur op te leggen. Daarbij heeft de officier van justitie dan gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen in de vorm van een contactverbod met [aangeefster].
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de TBS-maatregel met dwangverpleging niet kan worden opgelegd. Bij verdachte is geen stoornis vastgesteld en ook is hij niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast gaat het in deze zaak niet om een zodanig heftig feit dat de TBS-maatregel met dwangverpleging op zijn plaats zou zijn. Primair zou dan ook kunnen worden volstaan met een gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk. Verdachte heeft eerder onder toezicht gestaan en zich toen aan de opgelegde voorwaarden gehouden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat als al een TBS-maatregel aan de orde zou zijn, dan aan verdachte een TBS-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster [aangeefster] met geweld en bedreiging met geweld. Hij heeft op een feestje aan aangeefster en een vriend van aangeefster aangeboden om hen thuis te brengen met zijn auto. Nadat hij eerst een vriend van aangeefster thuis had afgezet, heeft hij aangeefster midden in de nacht in zijn auto meegenomen naar een afgelegen parkeerplaats. Vervolgens heeft hij haar met geweld en onder bedreiging van een mes zonder condoom op de achterbank van zijn auto verkracht. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangeefster. Seksuele delicten hebben voor slachtoffers vaak ernstige en langdurige psychische gevolgen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die aangeefster tijdens de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en geen oog heeft gehad voor de gevoelens en belangen van aangeefster.
De rechtbank neemt bij het bepalen van de op te leggen straf de oriëntatiepunten zoals die
zijn afgesproken in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt.
Het oriëntatiepunt voor een verkrachting met enige vorm van geweld is een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
De persoon van verdachte
De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf ook rekening met de
persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 augustus 2023. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het PBC-rapport over verdachte van 18 juli 2023
dat is opgemaakt door H.A. de Jonge (psycholoog) en M. Fluit (psychiater). Uit dit rapport volgt dat verdachte aan het onderzoek beperkt heeft meegewerkt.
De deskundigen beschrijven dat het tijdens het onderzoek moeilijk was grip te krijgen op verdachte. Hij praat uitvoerig, lijkt authentiek, maar uiteindelijk blijft het zicht op wat er daadwerkelijk in hem omgaat afgeschermd. Verdachte lijkt verder een vertekend beeld van de werkelijkheid te schetsten. Het is de deskundigen daarbij niet duidelijk of dat komt door een neurocognitieve stoornis of door intentionele manipulatie en of misleiding. Negatieve aspecten weert verdachte af. De rechtbank merkt op dat zij de door de deskundige beschreven trekken in de persoonlijkheid van de verdachte, herkent in het gedrag van verdachte dat hij op zitting heeft getoond.
Al met al hebben de onderzoekers niet kunnen vaststellen of verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een persoonlijkheidsstoornis, maar dit ook niet kunnen uitsluiten. Door de deskundigen is wel een stoornis in het gebruik van cocaïne vastgesteld.
Doordat verdachte beperkt heeft meegewerkt kan het recidiverisico niet worden ingeschat.
Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 15 augustus 2023 dat over verdachte is opgemaakt. De reclassering constateert dat er zorgen naar voren komen over het middelengebruik van verdachte, zijn seksualiteit en zijn psychosociaal functioneren. De reclassering schat het risico op algemene recidive als gemiddeld in. Het risico op herhaling van een zedendelict kan niet worden ingeschat. Gelet op het algemene recidiverisico adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafmaat
Gelet op de aard en ernst van het feit en de LOVS-oriëntatiepunten is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet aanleiding om een deel van die straf, te weten 12 maanden, voorwaardelijk aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal daarbij een proeftijd van drie jaren opleggen. Deze forse voorwaardelijke straf en langere proeftijd gelden als stok achter de deur om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op het reclasseringsrapport van 15 augustus 2023 is de rechtbank ook van oordeel dat de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, opgelegd moeten worden aan verdachte. Nu verdachte volgens eigen zeggen na een periode abstinent te zijn geweest van verdovende middelen, op één avond zo sterk is teruggevallen in middelengebruik, terwijl zijn strafbare gedragingen daar volgens hem door kunnen worden verklaard, vindt de rechtbank het van groot belang dat verdachte zijn stoornis in het gebruik van cocaïne aanpakt.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen wanneer de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] Amsterdam, telefoonnummer [telefoonnummer]. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Deze behandeling dient zich te richten op het opstellen van een delictanalyse en de seksualiteit van veroordeelde. Ook laat verdachte zich behandelen voor zijn cocaïneverslaving.
De behandelingen duren de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Drugsverbod
Veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod
Veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Contactverbod
Veroordeelde zal gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum]).
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 81,00 (eenentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 28 april 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor de overige vergoeding aan materiële schade af.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor de overige vergoeding aan immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 10.081,00 (tienduizend eenentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 28 april 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. R. Godthelp en N. Verschaeren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier.
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2023.
[…]
5
[…]
[…]
Zie bijvoorbeeld HR 13 juli 2010. ECLI:NL:HR:2010:BM2452.
HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819, NJ 2002/123 m.nt. Cleiren.
Vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10689, hof Arnhem-Leeuwarden 30 maart 2021 ECLI:NL:GHARL:2021:2967, hof ’s-Hertogenbosch 13 september 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3975 en hof Amsterdam 4 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2833.
Motivering
Verder hecht de rechtbank waarde aan een ambulante behandeling waarin verdachte aan de slag gaat met de zorgen om zijn beleving van seksualiteit en zijn psychosociaal functioneren, nu die mogelijk samenhangen met misbruikervaringen uit het verleden en verdachte daar niet eerder voor werd behandeld.
De rechtbank vindt daarnaast dat een contactverbod met [aangeefster] in de vorm van een bijzondere voorwaarde aan verdachte moet worden opgelegd. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het contactverbod met aangeefster in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte opleggen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een gebiedsverbod – al dan niet in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel – op te leggen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten verkrachting. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan als hij niet wordt behandeld voor de vastgestelde stoornis in het gebruik van cocaïne. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank zal – gelet op de zorgen die zij heeft over het drugsgebruik van verdachte – een langere proeftijd, te weten voor de duur van drie jaren, aan de voorwaarden verbinden, zodat verdachte langer onder toezicht blijft van de reclassering.
TBS-maatregel
De rechtbank overweegt met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege het volgende. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het strafbare feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Uit het PBC-rapport blijkt immers dat geen persoonlijkheidsstoornis kan worden vastgesteld bij verdachte. Door de rapporteurs is ‘alleen’ een stoornis in het gebruik van cocaïne vastgesteld, maar er kunnen geen uitspraken worden gedaan over een eventuele doorwerking van de vastgestelde stoornis in het ten laste gelegde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wordt voldaan aan artikel 37a, eerste lid, onder 1° Wetboek van het Strafrecht, waardoor de TBS-maatregel met dwangverpleging niet aan verdachte kan worden opgelegd.
8De vordering van [aangeefster]
De benadeelde partij [aangeefster] vordert schadevergoeding van in totaal € 20.105,40, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is door mr. B. Vossenberg ter terechtzitting toegelicht. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 20.000,00 aan vergoeding van immateriële schade en € 105,40 aan vergoeding van materiële schade. De materiële schade ziet op € 81,00 aan reiskosten voor acht behandelingen bij de psycholoog, € 13,00 reiskosten van en naar het slachtoffergesprek met de officier van justitie in Amsterdam en € 11,40 aan reiskosten van en naar de zitting bij de rechtbank.
8.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan
worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de
schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering tot vergoeding van materiële schade ten aanzien van de reiskosten van en naar de zitting en het slachtoffergesprek bij het Openbaar Ministerie af te wijzen omdat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Verder heeft de raadsman verzocht de vergoeding voor de immateriële schade te matigen, gelet op de bedragen die worden toegewezen in soortgelijke gevallen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij ontvankelijk in zijn vordering. De
benadeelde partij heeft schade geleden door het bewezenverklaarde feit.
Materiële schade en proceskosten
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van de reiskosten van en naar de psycholoog voor vergoeding in aanmerking komt. Omdat dit deel van de vordering de rechtbank verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van in totaal € 81,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is begaan.
De rechtbank zal de vordering wat betreft het overige afwijzen nu deze kosten zien op de vergoeding van proceskosten.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat een redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering meebrengt dat bij de bepaling van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.
Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 239 Rechtsvordering komen alleen als kosten voor vergoeding in aanmerking: reis-, verlet- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verblijfs- of verletkosten – zoals voor het bezoeken van leden van het Openbaar Ministerie, de advocaat, Slachtofferhulp Nederland of de politie voor het doen van (aanvullende) aangifte – kent de proceskostenregeling geen vergoeding.
In deze zaak wordt aangeefster bijgestaan door haar advocaat mr. B. Vossenberg. Zij procedeert dan ook niet in persoon. Alhoewel de rechtbank het redelijk vindt dat aangeefster de reiskosten naar de rechtbank Amsterdam en het slachtoffergesprek bij het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze in deze strafprocedure vergoed zou krijgen, ziet de rechtbank daartoe geen wettelijke grondslag. Voor zover de vordering hierop ziet, wijst de rechtbank deze af.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is in de vordering ter onderbouwing van de hoogte van de gevorderde immateriële schade (€ 20.000,00) uiteengezet welke gevolgen de verkrachting voor de benadeelde partij heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij die nacht op de achterbank van de auto onder bedreiging met een mes is verkracht. De benadeelde partij is door de verkrachting ernstig getraumatiseerd en zij voelt zich nog steeds – zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring ter terechtzitting – onveilig en angstig. Door een psycholoog is zij gediagnosticeerd met PTSS. Daarvoor heeft zij EMDR-therapie moeten volgen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de aangeefster zo zeer voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder dat daarvoor een nadere motivering vereist is.
Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 10.000,00. Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan (28 april 2022).