Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-10-04
ECLI:NL:RBAMS:2023:6361
Strafrecht
Raadkamer
1,797 tokens
Dictum
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 1975,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.E. Berman, advocaat te Purmerend (Schoolplein 2, 1441 GV in Purmerend),
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
Feiten
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2023 blijkt dat op 10 januari 2023 de auto van het merk Porsche, type Cayenne, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) in beslag is genomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen [medeverdachte] , de echtgenoot van klaagster, tevens medeverdachte. Op de (pro forma) zitting van 20 september 2023 heeft de officier van justitie bevestigd dat de auto op grond van artikel 94 Sv in beslag is genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 14 september 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 20 september 2023 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 20 september 2023 het klaagschrift in het openbaar behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat, mr. H.E. Berman en de officier van justitie,
mr. C. Staal, op zitting gehoord.
Klaagster is niet op de zitting verschenen.
Beklag
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een auto van het merk Porsche, type Cayenne, met kenteken [kenteken] . Klaagster is mede-eigenaar van de auto en zij wordt bezwaard door het beslag en de voortduring daarvan. Zij wenst weer over de auto te beschikken en zij heeft de auto nodig. Namens klaagster is daarnaast aangevoerd dat de auto een legale herkomst heeft en de auto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. Geen strafvorderlijk belang verzet zich tegen het opheffen van het beslag en daarom wordt verzocht de auto te retourneren aan klager.
In aanvulling op het klaagschrift heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij heeft aangetoond dat de auto is gekocht middels de opbrengst van een ingeruilde auto en de lening van € 15.000,-.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto aan klaagster en verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, verbeurdverklaring zal bevelen. [medeverdachte] , de partner van klager, wordt (mede)verdacht van witwassen. Het vermoeden bestaat dat de auto geen rechtmatige herkomst heeft.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift als volgt:
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank dient in dat geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal uitspreken.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting van 20 september 2023 is besproken, is het volgende gebleken. [medeverdachte] , de echtgenoot van klaagster, wordt verdacht van het (gewoonte)witwassen van de auto, van twee andere auto’s en van meerdere (grote) geldbedragen. Klaagster is aangemerkt als medeverdachte.
De auto staat op naam van klaagster.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2023 blijkt dat noch op de rekening van klaagster, noch op de rekening van [medeverdachte] , noch op rekening van [bedrijf 1] of [bedrijf 2] , transacties te vinden zijn die de aanschaf van de auto kunnen verantwoorden. Ook de bij de Belastingdienst opgegeven inkomsten uit exploitatie van [bedrijf 1] , en de historische transactiegegevens van de bankrekening van de rijschool kunnen de aanschaf van de in beslag genomen auto niet verantwoorden. De aanschaf van de auto zou in het meest gunstige geval hebben kunnen plaatsvinden door, naast de geldlening van € 15.000, een bedrag van € 3.000,- bij te betalen. Anders dan de raadsvrouw, acht de rechtbank dit echter onvoldoende gebleken. Uit de gegevens van de Belastingdienst betreffende klaagster en [medeverdachte] blijkt niet dat dit bedrag op legale wijze ter beschikking zou zijn geweest.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp zal verbeurd verklaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. N.J. Koene, voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.H. van der Pol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 oktober 2023.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,
binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.
Proces-verbaal van bevindingen inbeslagname auto’s familie [naam] bij doorzoeking 10 januari 2023, ZD01 01 0083 – ZD01 01 0084.
Een proces-verbaal van bevindingen Onderzoek klaagschrift verdachte [medeverdachte] met nummer 2022156050 van 23 juni 2023, p. 1-11.