Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-27
ECLI:NL:RBAMS:2023:6020
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/203492-23 EAB II
Datum uitspraak: 27 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 15 augustus 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2017 door the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Department (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 september 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Bydgoszcz van 29 januari 2007 (III K 463/06).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Verweer/verzoek om aanhouding van de raadsman
De raadsman heeft betwist dat sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare vrijheidsstraf. De in het EAB genoemde datum waarop het recht tot tenuitvoerlegging van de straf naar Pools recht verjaart is volgens de raadsman niet juist. Verder heeft hij opgemerkt dat volgens de opgeëiste persoon bij het vonnis van the District Court in Bydgoszcz van 29 januari 2007 (III K 463/06) een voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd en dat onduidelijkheid bestaat over de omzettingsbeslissing. De raadsman heeft hierbij een verzoek van de Poolse advocaat gericht aan de Districtsrechtbank in Bydgoszcz overgelegd, dat ertoe strekt de tenuitvoerlegging van de straf stop te zetten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om de beslissing van de Poolse rechter op het verzoek van de Poolse advocaat af te wachten.
De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om eraan te twijfelen dat sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare straf. In beginsel moet de rechtbank namelijk vertrouwen op de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. In het EAB staat dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf op 5 februari 2032 verjaart. Verder is in het EAB niet vermeld dat sprake zou zijn geweest van een voorwaardelijk opgelegde straf, die later is omgezet. De opgeëiste persoon heeft dat weliswaar gesteld, maar dat niet met stukken onderbouwd. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de informatie uit het EAB te twijfelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding de zaak aan te houden om hierover navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit dan wel om de beslissing op het verzoek van de Poolse advocaat af te wachten.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5Evenredigheid
De raadsman vindt het niet evenredig als de opgeëiste persoon naar Polen zou worden overgeleverd om daar de gevangenisstraf te ondergaan. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het vonnis heel oud is en dat de opgeëiste persoon een gezin met kinderen in Nederland heeft. Ook heeft hij in dit verband gewezen op de mogelijke executieverjaring naar Pools recht..
De rechtbank overweegt als volgt.
Stelselevenredigheid
Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
Evenredigheid in een concreet geval
De ten uitvoerlegging van het EAB kan daarnaast onder uitzonderlijke omstandigheden onevenredig geacht worden. Wat de raadsman daartoe heeft aangevoerd, is echter onvoldoende.
De persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon zijn niet zo uitzonderlijk dat de tenuitvoerlegging van het EAB onevenredig is. Verder biedt de OLW de mogelijkheid de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen. De rechtbank zal daar in deze zaak gebruik van maken en dat nader toelichten in rubriek 6. Dit biedt al een minder ingrijpend alternatief waarin de belangen van de opgeëiste persoon (en zijn gezin) voldoende worden gewaarborgd.
Van onevenredigheid, zoals aangevoerd door de raadsman, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman
Voor het geval de rechtbank de andere verweren zou passeren, heeft de raadsman een beroep gedaan op gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander en weigering van de overlevering en overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland bepleit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de opgeëiste persoon moet worden gelijkgesteld met een Nederlander en dat de overlevering moet worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland moet worden overgenomen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Department (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
In het EAB is als date of modification vermeld: 24 januari 2022.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.