Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-05-31
ECLI:NL:RBAMS:2023:5976
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,669 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/329657-22
Datum uitspraak: 31 mei 2023
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 31 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 november 2022 door the Sąd Okręgowy w Gdańsku, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, die waarneemt namens zijn collega, mr. L. de Leon, eveneens advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een binding sentence van the Regional Court Gdańsk-South in Gdańsk, 10th Criminal department (Polen) van 17 januari 2019 (referentienummer: X K 1315/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en daarom zijn verdedigingsrechten zijn geschonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat er aanleiding is om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, omdat uit de aanvullende informatie van 15 mei 2023 blijkt dat geen sprake is van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon op 29 juni 2018 tijdens zijn verhoor als verdachte in het vooronderzoek van deze zaak zijn adres heeft opgegeven. De opgeëiste persoon is hierbij geïnformeerd over zijn rechten en is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en zijn verblijfadres als hij langer dan 7 dagen op een ander adres verblijft. De opgeëiste persoon heeft deze adresinstructie getekend en is gewezen op de gevolgen van het niet-naleven van deze verplichting. De oproep voor de zitting is verzonden naar het adres dat de opgeëiste persoon op 29 juni 2018 als zijn adres heeft opgegeven. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a, negende lid, OLW.
De raadsman heeft ter onderbouwing van de stelling dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf heeft in Nederland de volgende stukken overgelegd:
- Verklaringen geregistreerd inkomen van de Belastingdienst over de jaren 2017 tot en met 2022 met een verzamelinkomen van:
o 2017: € 6.446,-
o 2018: € 274,-
o 2019: € 2.224,-
o 2020: €13.065,-
o 2021: onbekend
o 2022: onbekend
Bankafschriften van de ABN AMRO over de periode van 19 oktober 2021 tot en met 17 april 2023;
Een detacheringsovereenkomst van [naam bedrijf BV] inclusief zorgverzekering, ondertekend op 31 januari 2022.
Ten aanzien van de jaren 2021 en 2022 heeft de raadsman aan de hand van de bankafschriften gesteld dat de opgeëiste persoon over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt, dan wel reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. De raadsman heeft opgemerkt dat het verblijf van de opgeëiste persoon niet ononderbroken is, maar heeft aan de rechtbank verzocht om rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is in 2018 één jaar naar Polen geweest. Verdere hiaten in de BRP-inschrijving komen door het feit dat hij vóór 2018 in meerdere jeugdinstellingen heeft gezeten. De opgeëiste persoon heeft gewerkt bij verschillende uitzendbureaus en in die periode stond hij niet ingeschreven, omdat dat niet kon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Er zijn geen inkomstengegevens aangeleverd met betrekking tot de periode tussen 2011 en 2016 en in 2018 en 2019 is het inkomen van de opgeëiste persoon onder de helft van de bijstandsnorm. Daarnaast stond de opgeëiste persoon in 2019 niet ingeschreven op een adres in de Basisregistratie Personen (BRP).
De opgeëiste persoon stond tussen 2011 en 2016 weliswaar geregistreerd als ingezetene, maar over deze periode zijn geen stukken overlegd waaruit blijkt hoe hij in deze periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het verweer kan daarom niet slagen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Met betrekking tot de gelijkstelling van de opgeëiste persoon overweegt de rechtbank als volgt.
Naar vaste jurisprudentie van deze rechtbank is het de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om het gestelde ononderbroken rechtmatige verblijf tijdig en onderbouwd aan te tonen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de thans overgelegde stukken een beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet kan slagen.
De raadsman heeft ter zitting verklaard dat hij de rechtbank niet van voldoende stukken ter onderbouwing van de gelijkstelling kan voorzien. De opgeëiste persoon heeft op diezelfde zitting verklaard dat hij mogelijk wél de nodige stukken kan overleggen. De raadsman heeft hierover verklaard dat de stukken waarover hij op dit moment beschikt, niet kunnen bevestigen dat op de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaren rechtmatig en ononderbroken in Nederland heeft verbleven.
Het debat op zitting heeft zich met name toegespitst op het recente verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland en de stukken die ter onderbouwing daarvan door de raadsman zijn overgelegd. De rechtbank constateert evenwel op grond van de Informatiestaat SKDB dat de opgeëiste persoon in de periode tussen 8 juli 2010 en 22 maart 2018 onafgebroken op verschillende adressen in Nederland ingeschreven heeft gestaan. Het grootste deel van die periode heeft hij als minderjarige bij zijn moeder, dan wel in instellingen van Jeugdzorg gewoond. De rechtbank acht allerminst uitgesloten dat een gelijkstellingsverweer van de opgeëiste persoon kan slagen. De opgeëiste persoon heeft immers mogelijk een (afgeleid) duurzaam verblijfsrecht opgebouwd, als hij kan aantonen dat zijn moeder in deze periode rechtmatig ononderbroken in Nederland heeft verbleven én het verkregen duurzaam verblijfsrecht niet is verloren door afwezigheid van meer dan twee opvolgende jaren.
Met betrekking tot dit laatste is relevant dat de opgeëiste persoon ter zitting desgevraagd heeft laten weten dat hij beschikt over salarisstroken en registratiebrieven van werkgevers over de jaren 2019 en 2020. Hieruit zou ook blijken dat steeds kosten voor huisvesting werden ingehouden op zijn loon.
Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval niet (mede) aan de opgeëiste persoon te wijten dat is nagelaten het gelijkstellingsverweer, in het bijzonder voor zover dat ziet op de periode 2010-2018, tijdig en onderbouwd met stukken te voeren. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek dient te worden heropend om de raadsman alsnog in de gelegenheid te stellen stukken aan de rechtbank over te leggen waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste van de twee hierboven genoemde voorwaarden. Daarbij zou onder meer gedacht kunnen worden aan:
een uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) van de moeder van de opgeëiste persoon over de periode van 8 juli 2010 tot en met 22 maart 2018;
stukken met betrekking tot het inkomen van zijn moeder in de periode van 8 juli 2010 tot en met 22 maart 2018;
stukken waaruit blijkt op welke wijze in het onderhoud van de opgeëiste persoon is voorzien in de periode van 8 juli 2010 tot en met 22 maart 2018.
Conclusie
De rechtbank heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, om de raadsman in de gelegenheid te stellen de onder 5. genoemde stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer aan de rechtbank te overleggen.
Dictum
HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de raadsman in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 5. genoemde stukken – uiterlijk één week voor de volgende zittingsdatum – over te leggen aan de rechtbank.
BEPAALT dat de zaak vóór 27 juni 2023 op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. P. Sloot en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 mei 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 8.18, lid 1, Vreemdelingenbesluit 2000.