Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-26
ECLI:NL:RBAMS:2023:5947
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,463 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/137120-23 (zaak A) en 13/166560-23 (ter terechtzitting gevoegd; zaak B) (Promis)
Datum uitspraak: 26 september 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1977,
Volgens de Basisregistratie Personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd te: [penitentiaire inrichting] , te [plaats] .
1Het onderzoek op de zitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 12 september 2023. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Keulers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.C. Oldenburg, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd en na wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat hij zich:
1. primair op 11 mei 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [persoon 1] en/of [persoon 2] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot diefstal met geweld;
2. op 14 en/of 15 februari 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak, verbreking en/of inklimming, waarbij van [persoon 3] en/of [stichting] goederen zijn weggenomen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Aan verdachte is in zaak B – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich:
1. op 3 maart 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [persoon 4] en/of [persoon 5] , door hen te bewegen tot het afgeven van een pinpas en pincode;
2. op 16 mei 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het oplichting van [persoon 6] , door haar te bewegen tot het afgeven van een pinpas;
3. op 26 januari 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [persoon 7] , door haar te bewegen tot het afgeven van een pinpas.
4. op of omstreeks de periode van 26 januari 2023 tot en met 16 mei 2023 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen, door middel van een valse sleutel, waarbij hij van [persoon 4] en/of [persoon 5] , [persoon 6] en/of [persoon 7] telkens 500 euro heeft weggenomen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 2 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde (primaire) feiten. Verdachte heeft namelijk ten aanzien van alle feiten een bekennende verklaring afgelegd. De bekennende verklaringen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in zaak A worden daarnaast ondersteund door DNA matches. In zaak B is verdachte naast zijn bekentenis door meerdere verbalisanten herkend.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4
Beoordeling
De rechtbank acht – net als de officier van justitie – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals omschreven in rubriek 4. Omdat verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank, gelet op artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de in bijlage 3 opgenomen opgave van bewijsmiddelen volstaan.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A, feit 1:
op 11 mei 2023 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning, te weten [adres 1] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [persoon 1] en [persoon 2] te dwingen tot afgifte van geld, in elk geval enig goed, toebehorende aan [persoon 1] en/of [persoon 2] , naar die woning is toegegaan en die woning is binnengegaan en met een bivakmuts op tegen die [persoon 1] en [persoon 2] heeft gezegd: Kluis en Geld, in elk geval woorden van dergelijke aard of strekking, en naar die [persoon 1] en [persoon 2] is toegelopen en een mes ter hand heeft genomen en dat mes op die [persoon 1] heeft gericht en die [persoon 1] tegen het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van zaak A, feit 2:
omstreeks 14 februari 2023 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit pand [adres 2] heeft weggenomen een kluis en 49 druppels en een Euro Mastercard en 1500 euro en een laptop en VVV bonnen, toebehorende aan [stichting] , terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van zaak B, feit 1:
op 3 maart 2023 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [persoon 4] (1928) en [persoon 5] (1931) heeft bewogen tot de afgifte van een pinpas en de bijbehorende pincode, door
- zich naar de woning van die [persoon 4] en die [persoon 5] te begeven en
- vervolgens zich voor te doen als zijnde een persoon die de pinpas van die [persoon 4] en/of die [persoon 5] kwam omwisselen voor een nieuwe pinpas en
- vervolgens de pincode van de pinpas te vragen;
ten aanzien van zaak B, feit 2:
op 16 mei 2023 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [persoon 6] (1933) heeft bewogen tot de afgifte van een pinpas, door
- zich naar de woning van die [persoon 6] te begeven en
- vervolgens zich voor te doen als zijnde een persoon die de pinpas van die [persoon 6] kwam omwisselen voor een nieuwe pas en
- vervolgens te weigeren om de pinpas terug te geven aan die [persoon 6] toen zij hierom verzocht en
- vervolgens de woning met de pinpas te verlaten;
ten aanzien van zaak B, feit 3:
op 26 januari 2023 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [persoon 7] (1926) heeft bewogen tot de afgifte van een pinpas, door
- zich naar de woning van die [persoon 7] te begeven en
- vervolgens zich zonder toestemming de toegang tot de woning te verschaffen en
- vervolgens zich voor te doen als zijnde een persoon die de pinpas van die [persoon 7] kwam omwisselen voor een nieuwe pinpas en
- vervolgens met die [persoon 7] mee te lopen naar haar slaapkamer en
- vervolgens de pinpas uit de portemonnee van die [persoon 7] te halen.
ten aanzien van zaak B, feit 4:
in de periode van 26 januari 2023 tot en met 16 mei 2023 te Amsterdam geldbedragen die geheel of ten dele aan
- [persoon 4] en/of [persoon 5] (een geldbedrag van 500 euro), en
- [persoon 6] (een geldbedrag van 500 euro), en
- [persoon 7] (een geldbedrag van 500 euro),
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door pintransacties uit te voeren met gebruikmaking van de bankpas op naam van voornoemde personen en de aan die pas gekoppelde pincodes.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor de door haar bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van niet langer dan 24 maanden, met een voorwaardelijk deel van 12 maanden. Daarbij kan dan aan verdachte ook een maximale taakstraf worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals door de reclassering is geadviseerd.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gevangenisstraf en een taakstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [persoon 1] en [persoon 2] , waarbij verdachte met een (zelfgemaakte) bivakmuts op heeft gedreigd met een mes en tegen [persoon 1] geweld heeft gebruikt. De poging tot afpersing heeft plaatsgevonden in de woning van de slachtoffers, terwijl een woning bij uitstek de plaats is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een woningoverval is daarom voor de slachtoffers doorgaans een bijzonder traumatische ervaring, waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Daar komt bij dat verdachte de slachtoffers eerst in een café heeft ontmoet, waar hij een ogenschijnlijk normaal en vriendelijk gesprek met ze heeft gehad. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij zich bewust op deze oudere personen heeft gericht. Nadat [persoon 1] tijdens dit gesprek heeft opgemerkt dat zij haar geld thuis in een kluis bewaart, heeft verdachte de slachtoffers naar hun huis gevolgd. Verdachte heeft aldus niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaakt, maar heeft ook misbruik gemaakt van het vertrouwen dat is uitgegaan van de schijnbaar gemoedelijke ontmoeting met de slachtoffers.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan de oplichting van [persoon 4] en [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] . Verdachte heeft zich telkens voorgedaan als iemand die de pinpassen van de slachtoffers kwam omwisselen voor een nieuwe pas, enkel om hen die pinpassen afhandig te maken en zichzelf daarmee te bevoordelen. Alle slachtoffers waren op hoge leeftijd, woonachtig in een seniorencomplex en daarmee bijzonder kwetsbaar. Verdachte heeft door op de slachtoffers in te praten geprobeerd vertrouwen te winnen en heeft op brutale wijze hun woningen en soms zelfs slaapkamer betreden. Hij heeft hun vertrouwen in de medemens daarmee geschaad.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak van een met geld en andere goederen gevulde kluis, toebehorende aan [stichting] , en aan diefstal van telkens 500 euro van de hierboven genoemde slachtoffers van oplichting. Ten aanzien van de laatstgenoemde diefstallen heeft verdachte de pinpassen en de pincodes van de slachtoffers, die hij door oplichting heeft verkregen, gebruikt om geld te pinnen. Verdachte heeft met deze feiten een ernstige inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers en heeft opnieuw bijgedragen aan het doen ontstaan van gevoelens van angst en onveiligheid. In het geval van [stichting] weegt de rechtbank ook mee dat verdachte heeft gestolen van een hulpverlenende organisatie, die voorafgaand aan de diefstal verdachte heeft opgevangen toen hij dakloos was.
De rechtbank neemt verdachte zijn handelen zeer kwalijk.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en gerechtshoven onderling hebben afgesproken. De rechtbank heeft strafverzwarend rekening gehouden met het strafblad van 7 augustus 2023 van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit een gepubliceerd vonnis waarin verdachte is veroordeeld voor één van deze feiten, blijkt dat verdachte toen heeft gehandeld op een manier die grote gelijkenissen vertoont met de manier waarop hij de hierboven beschreven oplichtingen heeft aangepakt. Het slachtoffer van dit feit heeft het handelen van verdachte destijds met haar leven moeten bekopen. De rechtbank vindt het onbegrijpelijk dat verdachte na te zijn veroordeeld voor dit feit, opnieuw tot het plegen van soortgelijke feiten is overgegaan.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdacht heeft voorafgaand en op de zitting over alle feiten een bekennende verklaring afgelegd en heeft zijn spijt betuigd. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland van 7 september 2023. In het advies is opgenomen dat onder meer middelenproblematiek en een licht verstandelijke beperking ten grondslag lijken te hebben gelegen aan de ten laste gelegde feiten. De kans dat verdachte opnieuw stafbare feiten zal begaan, is door de reclassering ingeschat als hoog. Om dit risico te verminderen, heeft de reclassering geadviseerd om over te gaan tot het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.
Tot slot heeft de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die hij tijdens de zitting heeft toegelicht. Verdachte is opgegroeid in een instabiel gezin en is al in zijn kindertijd met criminaliteit in aanraking gekomen. Verdachte heeft het merendeel van zijn leven in detentie doorgebracht en wil veranderen. Verdachte heeft verklaard dat hij nooit eerder hulp heeft gekregen om van zijn ‘criminele verslaving’ en middelengebruik af te komen. Om die reden verzoekt verdachte de rechtbank om het advies van de reclassering om aan hem bijzondere voorwaarden op te leggen, te volgen.
De rechtbank ziet in het advies van Reclassering Nederland en de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte meewerkt aan psychologisch, dan wel psychiatrisch onderzoek om te kunnen vaststellen of zijn handelen mogelijk een (deels) psychologische of medische oorzaak heeft. Om die reden zal de rechtbank de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarde in de vorm van een ambulante behandeling, uitbreiden met een verplichting tot het verlenen van medewerking aan diagnostiek, indien de reclassering dit nodig vindt. Daarnaast zal de rechtbank geen contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden opleggen. De rechtbank ziet daarvoor onvoldoende aanleiding, omdat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte opnieuw contact zal zoeken met de slachtoffers van de feiten waarvoor hij wordt veroordeeld. Ook hebben de slachtoffers [persoon 1] en [persoon 2] bij de reclassering aangegeven geen onderdeel uit te willen maken van justitiële opvolging.
De rechtbank zal aan verdachte een straf opleggen die enerzijds recht doet aan de ernst van de feiten waarvoor hij wordt veroordeeld, en anderzijds gericht is op het voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw de fout ingaat. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf hieraan kan bijdragen. Omdat wordt besloten tot het opleggen van een gevangenisstraf en een taakstraf, is het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dat de rechtbank oplegt lager dan door de officier van justitie is geëist.
Alles overwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, passend en geboden.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A, feit 1:
poging tot afpersing;
ten aanzien van zaak A, feit 2:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van zaak B, feit 1, 2 en 3:
telkens: oplichting;
ten aanzien van zaak B, feit 4:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen, als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen, indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Veroordeelde meldt zich op afspraken met Inforsa Reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Inforsa Reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Veroordeelde laat zich behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, ook als dat inhoudt meewerken aan diagnostiek (bijvoorbeeld door een psycholoog en/of psychiater). De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Veroordeelde werkt mee aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat inhoudt een verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht en is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft betrokkene een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Veroordeelde werkt mee aan de elektronische monitoring op dit locatiegebod.Het huidige verblijfadres is [adres 3] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen.De aansluiting van het elektronische monitoringsmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de penitentiaire inrichting. Alvorens veroordeelde de penitentiaire inrichting verlaat, zal de reclassering in het bezit moeten zijn van een telefoonnummer waarop veroordeelde gedurende het toezicht te bereiken is. Als dit niet bekend is, zal veroordeelde de penitentiaire inrichting niet kunnen verlaten.
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.