Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-10
ECLI:NL:RBAMS:2023:5817
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,487 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/028436-23 (was 13/751537-18)
Datum uitspraak: 10 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 november 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 augustus 2014 door the Judge of the Regional Court in Radom (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres], [woonplaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
Zitting 24 januari 2017
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 januari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd om, kort samengevat, de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen via zijn Poolse advocaat te bewerkstelligen dat het EAB wordt ingetrokken.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
Zitting 11 mei 2017
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 24 januari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen het in Polen ingeslagen traject om het EAB te laten intrekken laten voortzetten.
Zitting 3 januari 2019
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 3 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de reeds met dertig dagen verlengde termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen, voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het onderzoek bij tussenuitspraak van 17 januari 2019 geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank in de zaak Popławski II op 28 september 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld.
Zitting 27 juli 2023
De rechtbank heeft het onderzoek 27 juli 2023 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing op 14 juni 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. S.J. Wirken. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt onder meer melding gemaakt van een cumulative judgment van the District Court in Radom van 4 oktober 2017 (zaaknummer: II K 493/17).
Hieraan liggen de volgende vonnissen ten grondslag:
a summary judgment of the District Court in Radom van 19 februari 2009 met zaaknummer VIII K 2252/08;
a judgment of the District Court in Radom van 31 augustus 2009 met zaaknummer II K 378/09;
a judgment of the District Court in Radom van 21 oktober 2009 met zaaknummer II K 456/09;
a judgment of the District Court in Radom van 25 februari 2018 met zaaknummer II K 169/10.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde cumulatieve vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4(Tussen)uitspraak 17 januari 2019
In de (tussen)uitspraak van 17 januari 2019 heeft de rechtbank reeds de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd bij de vonnissen met zaaknummers VIII K 2252/08, II K 456/09 en II K 169/10. Deze uitspraak heeft daarom slechts nog betrekking op het verzamelvonnis met zaaknummer II K 493/17 en het onderliggende vonnis met zaaknummer II K 378/09.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
In de tussenuitspraak van 17 januari 2018 heeft de rechtbank in punt 5 geoordeeld dat met betrekking tot het verzamelvonnis met zaaknummer II K 493/17 de situatie zoals genoemd in artikel 12, aanhef en onder b OLW zich voordoet en dat met betrekking het onderliggende vonnis met zaaknummer II K 378/09 artikel 12 niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting die tot de beslissing heeft geleid.
Verder is onder 6 van die tussenuitspraak vastgesteld dat sprake is van een feit dat dubbel strafbaar is. De onder 5 en 6 van die tussenuitspraak gegeven overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraffen en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Onder 7 van de tussenuitspraak van 17 januari 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon voldoet aan alle (toenmalige) drie voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 6, vijfde lid (oud), OLW. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Dictum
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6aen 7 van de Overleveringswet.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Judge of the Regional Court in Radom (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de in overweging 3 bedoelde verzamel-vrijheidsstraf in Nederland dat betrekking heeft op het feit waarvoor de opgeëiste persoon in het vonnis met referentienummer II K 493/17 is veroordeeld, met in achtneming van hetgeen in overweging 6., laatste alinea, is overwogen.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en Ch.A. van Dijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028.
Zie artikel 22 OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.