Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-14
ECLI:NL:RBAMS:2023:5806
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,326 tokens
Inleiding
ECLIRECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/165366-23
Datum uitspraak: 14 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 7 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 mei 2023 door the District Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 22 augustus 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de opgeroepen tolk in de Poolse taal niet ter zitting was verschenen.
Zitting 31 augustus 2023
De behandeling van het EAB is met instemming van de officier van justitie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon op 31 augustus 2023 voortgezet in de stand van de vorige zitting, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Radom (Polen) van 5 februari 2019 (II K 2483/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich voordoet en er geen aanleiding bestaat om van weigering af te zien. Volgens het EAB is de opgeëiste persoon in Polen door de politie gehoord, is hem een instructie uitgereikt om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven en is hem medegedeeld wat de gevolgen kunnen zijn als hij dat niet doet. Deze gang van zaken wordt door de opgeëiste persoon betwist. Hij erkent dat hij een formulier heeft ondertekend, maar dat hij niet wist wat daar in stond. Hij wist niet dat hij adreswijzigingen door moest geven en dat de strafzaak mogelijk in zijn afwezigheid zou worden behandeld als hij niet aan die instructie zou voldoen. Daardoor heeft hij de oproepingen voor de zitting niet ontvangen en is hij daarbij niet aanwezig geweest, terwijl hij dat wel graag had gewild. Ook is er geen verzetsgarantie gegeven en is hij niet vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, dat geen van de omstandigheden als genoemd in sub a tot en met d zich voordoen, maar dat van weigering kan worden afgezien. De opgeëiste persoon is immers in de Poolse strafzaak als verdachte gehoord, hij heeft de adresinstructie ontvangen en is daarbij gewezen op het mogelijke gevolg dat de zaak in zijn afwezigheid kan worden afgedaan indien hij de justitiële autoriteiten niet van wijzigingen in zijn adres op de hoogte zou stellen. Op basis hiervan stelt de officier van justitie vast dat de opgeëiste persoon voldoende mogelijkheden heeft gehad om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en overweegt daartoe als volgt.
In de eerste plaats blijkt uit het EAB en de aanvullende informatie van 3 augustus 2023 dat de opgeëiste persoon op 7 juli 2018 door de politie in Polen als verdachte is gehoord, dat hij tijdens dat verhoor een correspondentieadres heeft opgegeven en dat hij op dat moment is geïnstrueerd over de verplichting om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven, waarbij hij is gewezen op de gevolgen die het niet naleven van deze verplichting met zich mee kan brengen. De opgeëiste persoon heeft persoonlijk voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. Dat de opgeëiste persoon niet zou hebben geweten waarvoor hij tekende, komt voor zijn eigen risico. Verder heeft de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie verklaard dat hij na het politieverhoor in Polen naar Duitsland is vertrokken en dat het klopt dat hij geen adreswijzigingen heeft doorgegeven.
Ten tweede wijst de rechtbank erop dat de opgeëiste persoon, gelet op het verhoor door de politie, op de hoogte was van het bestaan van de strafrechtelijke procedure en dat hij dus ook zelf de verantwoordelijkheid had kunnen nemen om geïnformeerd te worden over de plaats, datum en tijd waarop zijn zaak inhoudelijk zou worden behandeld. Dat heeft hij niet gedaan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht om bij zijn proces aanwezig te zijn.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Radom (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. M.C. Eggink en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.