Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-12
ECLI:NL:RBAMS:2023:5738
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,399 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/107332-23
Datum uitspraak: 12 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2022 door het Amtsgericht Bielefeld (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
verblijfadres: [verblijfadres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.L.C. Schoolderman, advocaat in Rotterdam.
Dictum
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld omdat de beslistermijn is verstreken. Er zijn inmiddels 60 dagen verstreken sinds de aanhouding van de opgeëiste persoon en de beslistermijn kan niet met terugwerkende kracht worden verlengd. De rechtbank heeft ter zitting geoordeeld dat het niet voor het verstrijken van de 60 dagentermijn verlengen van de beslistermijn met 30 dagen geen gevolgen heeft voor de overleveringsdetentie omdat het bevel inverzekeringstelling of inbewaringstelling waarop de opgeëiste persoon gedetineerd is, loopt tot het moment waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist. Dit is de eerste keer dat de rechtbank het EAB meervoudig behandelt en dus het eerste moment dat over de gevangenhouding kan worden beslist. De mogelijkheid om de termijn van 60 dagen met terugwerkende kracht te verlengen sluit aan bij het systeem van de wet. De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, derde lid, OLW dan ook met terugwerkende kracht met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsvrouw vindt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, omdat op grond van de stukken niet kan worden vastgesteld dat deze vordering binnen drie dagen na ontvangst van het EAB is ingediend bij de rechtbank.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw niet slaagt.
Volgens artikel 23, tweede lid, van de OLW dient de officier van justitie uiterlijk op de derde dag na ontvangst van het EAB de vordering in bij de rechtbank.
Uit de stukken blijkt dat het EAB op 19 juni 2023 is ontvangen en de vordering van de officier van justitie dateert van 20 juni 2023. Of de vordering ook op die datum, of in ieder geval binnen drie dagen na ontvangst van het EAB, bij de rechtbank is ingediend, kan de rechtbank op grond van de stukken niet vaststellen. De OLW verbindt aan het niet naleven van de termijn van drie dagen echter geen rechtsgevolgen. De rechtbank is, ook als de vordering na de drie dagen-termijn zou zijn ingediend, gehouden de vordering in behandeling te nemen en te beslissen over de toelaatbaarheid van de bij het EAB verzochte overlevering.
4Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Bielefeld van
27 december 2021 (dossiernummer: 9 Gs 6431/21).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4.1.
Genoegzaamheid
De raadsvrouw vindt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon in de omschrijving van de verdenking onvoldoende is geconcretiseerd. Daarom is niet voldaan aan de vereisten in artikel 2, tweede lid, onder e, van de OLW.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer niet slaagt en overweegt daartoe als volgt
Het EAB moet gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is aan die vereisten voldaan. Uit de omschrijving van de verdenking blijkt dat die ziet op het exploiteren op industriële schaal van een professioneel drugslaboratorium voor de productie van amfetamineolie. Daarbij zijn de vermeende pleegplaats en pleegdatum vermeld. Ook is nader omschreven hoe de verdachten te werk zouden zijn gegaan, zijn medeverdachten met naam genoemd en zijn aangetroffen stoffen en hoeveelheden vermeld. Wat betreft de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is vermeld dat hij mededader zou zijn. Meer concreet is ook nog vermeld dat hij betrokken zou zijn geweest bij de vervaardiging van amfetamineolie volgens de zogenaamde “Leuckart-methode”. Ook de mate van betrokkenheid is, zeker in het licht van het nog lopende onderzoek, genoegzaam omschreven.
5Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, hij deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Staatsanwalt te Bielefeld heeft bij e-mail van 9 augustus 2023 de volgende garantie gegeven:
“With reference to your e-mail reproduced below, I can give you the following assurance (pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision EAW (2002/584/JHA)):
It is assured that in the event of a irrevocable unconditional prison sentence, the further execution of the prison sentence will be handed over to the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ) if the convict [opgeëiste persoon] agrees to this.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6 en 7, OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Bielefeld (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R. Godthelp, voorzitter,
mrs. L. Sanders en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie bv. RBAMS 20 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8113.
Zie onderdeel e) van het EAB.