Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-24
ECLI:NL:RBAMS:2023:5466
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,923 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/145651-23
Datum uitspraak: 24 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 29 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2023 door het Kantongerecht Koblenz, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht Koblenz van 12 juni 2023 (30 Gs 5233/23 – 51 Js 550/22).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Volgens hem moet de opgeëiste persoon voor deze feiten in Nederland worden vervolgd, omdat de handelingen die hem worden verweten uitsluitend op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden en er geen aanwijzingen zijn dat hij wist dat de goederen uiteindelijk naar Duitsland zouden worden vervoerd.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van een goede rechtsbedeling meebrengt dat vervolging in Duitsland plaatsvindt, nu het onderzoek is in Duitsland is aangevangen, de medeverdachten ook in Duitsland worden vervolgd, de verdovende middelen in Duitsland zijn ingevoerd en inbeslaggenomen en de Nederlandse onderzoeksresultaten al aan de Duitse autoriteiten zijn overgedragen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de feiten volgens het EAB geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zouden hebben plaatsgevonden, maar ziet daarin geen aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Het opsporingsonderzoek vindt in Duitsland plaats en betreft een onderzoek naar strafbare feiten die door een organisatie zouden zijn begaan en waaraan de opgeëiste persoon zou hebben deelgenomen. De medeverdachten worden ook in Duitsland vervolgd. De rechtbank acht het in het belang van een goede rechtsbedeling dat de strafvervolging in Duitsland plaatsvindt. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de strafvervolging, die in Nederland tegen de opgeëiste persoon was gestart en op dezelfde feiten zag, inmiddels gestaakt is en de onderzoeksresultaten aan de Duitse autoriteiten zijn overgedragen.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is voor de rechtbank dan ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Generalstaatsanwalt Koblenz heeft op 1 augustus 2023 de volgende garantie gegeven:
“Er wordt verzekerd dat na het opleggen van een onherroepelijke vrijheidsstraf of andere sanctie in het kader van de procedure 51 Js 55 0/22 aan de beschuldigde [opgeëiste persoon] aangeboden zal worden om met het oog op de tenuitvoerlegging terug naar het Koninkrijk der Nederland overgeplaatst te worden.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht Koblenz (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J. van Zijl en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.