Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-08-21
ECLI:NL:RBAMS:2023:5312
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,183 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/2258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,
(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
( [gem. verweerder] ).
Procesverloop
Met een besluit van 23 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 20 mei 2022 is beëindigd.
Met een besluit van 13 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2023.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1.1.
Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als pedagogisch medewerker voor gemiddeld 24 uur per week. Op 8 november 2019 is eiseres bevallen van haar eerste kind. Zij ontving in de periode van 10 oktober 2019 tot 31 januari 2020 een Wazo-uitkering. Aansluitend heeft eiseres zich arbeidsongeschikt gemeld en een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet. Op 19 februari 2022 is eiseres bevallen van haar tweede kind. Zij ontving in de periode 18 januari 2022 tot en met 9 mei 2022 nogmaals een Wazo-uitkering. Eiseres heeft zich vervolgens op 10 mei 2022 wederom arbeidsongeschikt gemeld en een ZW-uitkering ontvangen.
1.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar ZW-uitkering per 20 mei 2022 eindigt. Volgens verweerder eindigt het recht op een ZW-uitkering na 104 weken ziekteverzuim. Voor de berekening van deze 104 weken telt verweerder eventuele eerdere ziekteperioden mee als de onderbreking tussen deze perioden niet groter is dan vier weken.
1.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 april 2023 ten grondslag gelegd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt de tweede arbeidsongeschiktheidsperiode grotendeels veroorzaakt door dezelfde ziekteoorzaak als de eerste arbeidsongeschiktheidsperiode. Er is dus sprake van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf de eerste arbeidsongeschiktheidsperiode. Dit betekent dat volgens verweerder na afloop van de tweede Wazo-uitkering geen nieuw Ziektewetrecht van 104 weken begint.
Standpunt van eiseres
2. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat de ziekteoorzaak per 10 mei 2022 gelijk is aan de ziekteoorzaak van de ziekteperiode van 31 januari 2020 tot 18 januari 2022. Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat de eerste ziekmelding voortvloeit uit lichamelijke klachten, terwijl de tweede ziekmelding komt door psychische klachten. Subsidiair voert eiseres aan dat bij de tweede ziekmelding ernstigere psychische klachten spelen dan bij de eerste ziekmelding. Eiseres wijst daarbij onder meer op het feit dat bij de eerste ziekmelding nog geen depressie was gediagnostiseerd, terwijl dit een belangrijke rol speelde bij de tweede ziekmelding.
Beoordeling
Inleiding
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat het voor zowel de rechtbank als verweerder duidelijk is dat eiseres diverse (psychische) klachten ervaart die haar beperken in het functioneren. In dit geschil moet de rechtbank echter de vraag beantwoorden of verweerder terecht heeft beslist dat met de ziekmelding van eiseres op 10 mei 2022 geen nieuwe wachttijd van 104 weken is gestart. Hierbij is van belang of de ongeschiktheid na afloop van de tweede Wazo-uitkering redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde ziekteoorzaak als de ongeschiktheid voor het ontvangen van de tweede Wazo-uitkering.
3.2.
In artikel 29a, vierde lid van de ZW staat dat als een vrouwelijke verzekerde, nadat haar recht op uitkering ingevolge de Wazo is geëindigd, recht heeft op ziekengeld, als zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Zij heeft recht op dit ziekengeld zolang de arbeidsongeschiktheid duurt, maar ten hoogste 104 aaneengesloten weken vanaf de eerste dag dat de Wazo-uitkering is geëindigd. In artikel 29, vijfde lid, van de ZW staat dat voor het berekenen van de termijn van 104 weken periodes van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld die direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarop iemand een Wazo-uitkering heeft ontvangen, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
3.3.
Uitgangspunt is dat verweerder zich mag baseren op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als deze voldoen aan de eisen die in de rechtspraak zijn geformuleerd. Zo moeten de rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Als de rapporten aan deze eisen voldoen en eiseres het niet eens is met de inhoud van een rapport, moet zij een gestelde onjuistheid aannemelijk maken.
Is de medische beoordeling zorgvuldig tot stand gekomen?
4. Een primaire arts heeft in het kader van een beoordeling WIA einde wachttijd het dossier bestudeerd en eiseres op het spreekuur van 2 december 2022 lichamelijk en psychisch onderzocht. Naar aanleiding van de door eiseres ingediende bezwaren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medische oordeel van de primaire arts getoetst aan de hand van een dossierstudie. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de naar voren gebrachte klachten op een zorgvuldige en duidelijke manier heeft betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de in het dossier aanwezige informatie van de behandelaren. Er is geen reden om te oordelen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd.
Vloeien de conclusies logisch voort uit de onderzoeksbevindingen?
5.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft zich ziekgemeld op 31 januari 2020 na afloop van haar eerste Wazo-uitkering met in eerste instantie voornamelijk lichamelijke klachten. Op 29 maart 2021 heeft een verzekeringsarts in het kader van een eerstejaars ziektewetbeoordeling telefonisch contact gehad met eiseres. Uit de bevindingen van deze verzekeringsarts leidt de rechtbank af dat op dat moment de angstklachten op de voorgrond staan en dat er aanwijzingen zijn van een posttraumatische stressstoornis. Uit de brief van de behandelend psycholoog van 15 juli 2021 volgt dat eiseres zich met paniekaanvallen, onzekerheid, gevoel van leegte, verminderde plezier in activiteiten, overprikkeld zijn, concentratiestoornis en oververmoeidheid heeft gemeld bij de psycholoog. Verder bevat het dossier een brief van 13 oktober 2021 getiteld ‘Eindverslag SGGZ traject Psycholoog Nederland’. De rechtbank leidt uit deze brief af dat eiseres een specialistisch GGZ-traject heeft gevolgd van januari tot oktober 2021. Uit deze brief volgt verder dat de angst en stemmingsklachten al een lange tijd aanwezig zijn. Na het overlijden van eiseres haar vader en haar bevalling zijn deze klachten verergerd. Uit de brief van de homeopaat van 22 oktober 2021 blijkt dat eiseres te maken heeft met een gecompliceerd emotioneel verwerkingsproces. Hiervoor gebruikt zij onder meer het medicijn Mirtazapine wat een antidepressivum is. De gebruikte hoeveelheid Mirtazapine is in de loop van 2021 verhoogd van 30 milligram naar 45 milligram.
5.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 5 april 2023 geconcludeerd dat er zowel sprake was van paniekklachten, angstklachten en depressieve klachten gedurende de eerste ziekteperiode. De rechtbank acht de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelet op het hiervoor genoemde feitenrelaas navolgbaar.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dus inzichtelijk gemotiveerd dat eiseres gedurende de eerste ziekteperiode psychische klachten heeft ontwikkeld en dat deze klachten over het grootste gedeelte van de ziekteperiode ook op de voorgrond hebben gestaan.
6.1.
Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat sprake is van andere psychische klachten ten tijde van de tweede ziekmelding.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft zich op 10 mei 2022 opnieuw ziekgemeld. Op 19 februari 2022 is bij eiseres een posttraumatische stressstoornis gediagnostiseerd. Uit de brief van de huisarts van 16 maart 2023 volgt dat in mei 2022 op advies van de psycholoog van het ziekenhuis wederom Mirtazapine werd voorgeschreven. Eiseres geeft op het spreekuur van 2 december 2022 aan dat ze na haar eerste bevalling nog psychische klachten heeft. Paniekaanvallen en een depressie. Verder vertelt zij dat haar klachten niet verbeterd zijn. Zij heeft nog dagelijks flashbacks van beide bevallingen. Eiseres heeft slaapproblemen, paniek en angst. Zij heeft tot nu toe geen langdurige (psychische) behandelingen gehad omdat het telkens door de basis GGZ te complex bevonden werd. De rechtbank stelt verder vast dat uit de brief van de huisarts van 16 maart 2023 volgt dat in december 2022 en februari 2023 de medicatie is aangepast. Op 16 februari 2023 is de diagnose depressie vastgesteld.
6.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 april 2023 gemotiveerd dat eiseres na de eerste zwangerschap niet meer heeft gewerkt en ook niet meer arbeidsgeschikt is geweest voor haar eigen werk vanwege aanhoudende psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep betrekt daarbij het feit dat eiseres na de tweede zwangerschap nog steeds psychische klachten ervaart waarvoor behandeling met Mirtazapine en gesprekken met een psycholoog zijn geïndiceerd. Deze klachten zijn niet (geheel) hersteld geweest in de tussenperiode. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf de eerste zwangerschap door een psychische aandoening met psychische klachten die van meet af aan zowel kenmerken hebben van een posttraumatische stressstoornis als van een depressie. Daarbij wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep er op dat gedurende de eerste ziekteperiode ook sprake was van paniekklachten, angstklachten (posttraumatische stressstoornis) en depressieve klachten (depressie). De rechtbank acht de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelet op het hiervoor genoemde feitenrelaas navolgbaar.
6.4.
Voor zover eiseres heeft gesteld dat het gaat om een andere ziekteoorzaak omdat de posttraumatische stressstoornis en depressie pas na de tweede ziekmelding zijn gediagnostiseerd, volgt de rechtbank eiseres daarin niet. Verweerder heeft op zitting terecht opgemerkt dat een diagnose niet leidend is bij de vraag of sprake is van dezelfde ziekteoorzaak.
Conclusie
7.1.
Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand.
7.2.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg.