Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-19
ECLI:NL:RBAMS:2023:5267
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,933 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/064222-23
Datum uitspraak: 19 juli 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 31 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 december 2022 door the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990
verblijvend op het adres: [adres opgeëiste persoon]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juli 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. van der Wal, advocaat in Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een verzamelvonnis en twee onderliggende vonnissen:
- Combined judgment of June 7, 2018 (II K 578/17) by the District Court of Swiebodzin (hierna: het verzamelvonnis), comprising the following custodial sentences imposed on [opgeëiste persoon] :
- Judgment of March 22, 2017, by the District Court of Swiebodzin (II K 490/16) (hierna: vonnis I);
- Judgment of April 13, 2016, by the District Court of Swiebodzin (II K 242/15) (hierna: vonnis II), activated on July 10, 2017, by the District Court of Swiebodzin (II Ko 169/17) (hierna: de beslissing tot tenuitvoerlegging).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 9 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 6 maanden en 25 dagen.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals omschreven in het EAB.
4De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Verzamelvonnis (II K 578/17)
Standpunten
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel van 12 OLW van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Bovendien blijkt uit de aanvullende informatie niet dat hij ter zitting is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman, zoals in het EAB is aangegeven. De rechtbank kan niet afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon onvoldoende gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Daarbij is niet aangeven op welk adres in Polen de opgeëiste persoon is opgeroepen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is maar dat de rechtbank kan afzien van weigering aangezien de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en is gewezen op de gevolgen als hij niet ter zitting zou verschijnen. Bovendien is hij opgeroepen op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Welk adres dat was, behoeft niet te worden vermeld. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de informatie in het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 16 juni, 23 juni en 3 juli 2023 vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de zitting die tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Er is ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Dit betekent dat de overlevering kan worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Uit de aanvullende informatie van 3 juli 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon in de beide onderliggende procedures die tot vonnis I en vonnis II hebben geleid, hetzelfde adres heeft opgegeven. Op dat moment is aan de opgeëiste persoon bovendien een adresinstructie gegeven. Die instructie hield in dat de opgeëiste persoon iedere adreswijziging moest doorgeven aan de Poolse autoriteiten. Daarbij is de opgeëiste persoon ook gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan die instructie. Deze instructie blijft volgens bovenstaande aanvullende informatie geldig tot het moment dat de vonnissen ten uitvoer gelegd zijn en was derhalve nog geldig op het moment dat het verzamelvonnis is gewezen. Tenslotte blijkt dat de opgeëiste persoon heeft nagelaten een adreswijziging door te geven en derhalve is opgeroepen op het door hem in de onderliggende procedures opgegeven adres. Weliswaar is het verzamelvonnis niet op verzoek van de opgeëiste persoon gewezen, maar uit de aanvullende informatie van 3 juli 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon door een reclasseringsambtenaar telefonisch op de hoogte is gesteld van het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid en van het feit dat de rechtbank voor hem een toegevoegd advocaat, Piotr Bogacz, had aangewezen om hem te vertegenwoordigen tijdens dit proces.
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces en uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces, dan wel kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Overlevering van de opgeëiste persoon houdt daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten in.
Vonnis I (II K 490/16)
Standpunten
De raadsman heeft ten aanzien van dit vonnis geen verweer gevoerd.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen toepassing vindt omdat de uitzondering van artikel 12 onder b OLW zich voordoet. In het EAB en de aanvullende informatie van 16 juni 2023 staat namelijk dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat moet worden afgezien van weigering gezien de omstandigheden die in de aanvullende informatie zijn vermeld.
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat heeft geleid
tot het vonnis en dat hij ter zitting is vertegenwoordigd door een gekozen advocaat, Piotr Bogacz. In de aanvullende informatie van 16 juni 2023 staat vermeld dat de opgeëiste persoon ter zitting is vertegenwoordigd door een door hem gekozen advocaat.
De rechtbank is – anders dan de officier van justitie - van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder b OLW. Uit de aanvullende informatie blijkt immers niet dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van de voorgenomen zitting, zijn gekozen advocaat daadwerkelijk heeft gemachtigd om hem te verdedigen.
Dictum
the District Court of Swiebodzin
(II Ko 169/17)
Standpunten
De raadsman stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van deze beslissing de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich voordoet aangezien de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De opgeëiste persoon wist niks van deze beslissing af en er is door de Poolse autoriteiten geen informatie verschaft over de wijze waarop hij voor de zitting is opgeroepen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze beslissing niet hoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat artikel 12 OLW niet van toepassing is op deze beslissing, nu deze geen wijziging heeft gebracht in de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic).
Het proces dat heeft geleid tot veroordeling van de opgeëiste persoon voor het
triggerende
feit
Standpunten
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank kan afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aangezien uit de aanvullende informatie van 16 juni 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen en is opgeroepen voor het proces dat tot de veroordeling voor het triggerende feit heeft geleid op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.
De raadsman heeft zich niet uitgelaten of de weigeringsgrond zich voordoet ten aanzien van de veroordeling voor het triggerende strafbare feit.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 in de zaak LU (C514/21) en PH (C515/21), (ECLI:EU:C:2023:235), valt een veroordeling voor het triggerende strafbare feit, dat wil zeggen een veroordeling die de reden vormt voor de beslissing tot de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, voor zover deze veroordeling bij verstek is gewezen.
Het proces dat heeft geleid tot de uitspraak waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld voor dat nieuwe triggerende strafbare feit moet op grond van voormeld arrest van het HvJ EU getoetst worden aan artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 16 juni 2023, gelezen in samenhang met de vraagstelling van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), volgt dat de beslissing tot tenuitvoerlegging (II Ko 169/17) is gegeven vanwege een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft echter, ondanks vragen daartoe van het IRC, geen enkele informatie gegeven over het proces dat heeft geleid tot deze veroordeling en de aanwezigheid van de opgeëiste persoon daarbij. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft medegedeeld dat in haar visie geen informatie mag worden gevraagd over een veroordeling ten aanzien van een feit dat niet ten grondslag ligt aan het EAB. Gelet daarop begrijpt de rechtbank dat hetgeen in de aanvullende informatie van 16 juni 2023 is vermeld over het opgeven van een adres en het verstrekken van een adresinstructie – anders dan de officier van justitie stelt – betrekking heeft op de beslissing tot tenuitvoerlegging van 10 juli 2017 (welke datum ook wordt genoemd) en niet op het proces dat heeft geleid tot veroordeling van de opgeëiste persoon voor het triggerende strafbare feit.
De rechtbank stelt derhalve vast dat de Poolse autoriteiten geen informatie hebben verschaft over de veroordeling voor het triggerende strafbare feit waardoor het voor de rechtbank niet mogelijk is om deze veroordeling te toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of overlevering van de opgeëiste persoon ten aanzien van dit vonnis geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt. De rechtbank ziet geen reden om hierover nadere vragen te stellen omdat het IRC hierover de juiste vragen heeft gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die in het geheel niet zijn beantwoord.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen reden om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en zal de overlevering daarom weigeren voor het vonnis II (II K 242/15).
5Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten ten aanzien van vonnis I (II K 490/16)
niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
eenvoudige belediging
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
en
mishandeling
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt raadsman
De raadsman verzoekt de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander zodat de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf kan worden overgenomen. Volgens hem blijkt uit alle overgelegde stukken in onderlinge samenhang beschouwd dat de opgeëiste persoon gedurende de afgelopen 5 jaar voortdurend rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander aangezien niet kan worden vastgesteld dat hij de afgelopen 5 jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Hij heeft op geen enkel moment ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen (BRP) en zijn inkomsten over 2022 en 2023 zijn onvoldoende (minder dan 50% van de bijstandsnorm). Voor de overige jaren geldt dat zijn inkomsten te laag zijn om daaruit te kunnen afleiden dat hij voortdurend rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
In het onderhavige geval kan de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt voorop dat de opgeëiste persoon zelf heeft verklaard dat hij gedetineerd is geweest in Nederland wegens een veroordeling door de rechtbank Noord-Nederland voor mishandeling van een collega. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 mei 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon van 4 mei 2021 tot en met 13 juni 2021 een aan hem opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten. Volgens het Hof van Justitie telt een periode die op grond van een straf in een gevangenis is doorgebracht niet mee voor de verwerving van duurzaam verblijfsrecht en doorbreekt een dergelijke periode het ononderbroken karakter van het verblijf.
Overigens stelt de rechtbank vast dat, mede bij gebreke van inschrijving in de BRP, de door de opgeëiste persoon overgelegde inkomensgegevens onvoldoende zijn om daaruit af te leiden dat hij de afgelopen 5 jaren voortdurend in Nederland heeft verbleven. Nu niet is voldaan aan de eerste voorwaarde om in aanmerking te komen voor gelijkstelling, slaag het verweer niet.
Conclusie
Omdat de rechtbank ten aanzien van de feiten van vonnis I (II K 490/16) vaststelt dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering voor die feiten worden toegestaan.
De rechtbank stelt ten aanzien van de feiten van vonnis II (II K 242/15) vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering voor die feiten geweigerd.
De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf die in het verzamelvonnis is opgelegd, geacht moet worden te zijn opgelegd voor de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 266, 285 en 300 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon]
aan the Circuit Court of Zielona Góra (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de (in het verzamelvonnis opgelegde) vrijheidsstraf dat ziet op de feiten van vonnis I (II K 490/16), te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de (in het verzamelvonnis opgelegde) vrijheidsstraf dat ziet op de feiten van vonnis II (II K 242/15).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juli 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3917
C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026.
Zie ro. 62-63, ECLI:EU:C:2023:235.
Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:13 (Onuekwere)