Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-04
ECLI:NL:RBAMS:2023:4588
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,667 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/097112-23
Datum uitspraak: 4 juli 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 12 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2019 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1973,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juni 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Polat die waarneemt voor mr. F. Bajrami, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere vragen te stellen in het kader van artikel 12 OLW..
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 4 juli 2023, in tegenwoordigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Polat die waarneemt voor mr. F. Bajrami, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgment of the Local Court in Szczecinek of 27 February 2017 (II K 400/16). Dit betreft een verzamelvonnis met drie onderliggende vonnissen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 22 juni 2023 aanvullende informatie verstrekt in het kader van artikel 12 OLW. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon stelt dat hij, in tegenstelling tot wat in de verstrekte informatie is gesteld, niet zelf om het verzamelvonnis heeft gevraagd. Daarbij merkt de raadsman op dat volgens de aanvullende informatie van 22 juni 2023 de opgeëiste persoon in 2014 om een verzamelvonnis heeft gevraagd, terwijl één van de onderliggende vonnissen die in het verzamelvonnis zijn betrokken uit 2015 dateert.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verstrekte informatie blijkt dat in alle betrokken processen de verdedigingsrechten zijn gewaarborgd.
Verzamelvonnis met nummer II K 400/16
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 22 juni 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zelf om het verzamelvonnis heeft gevraagd. De enkele betwisting van de opgeëiste persoon is onvoldoende om aan de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit te twijfelen. Verder is vermeld dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven en dat hij toen gewezen is op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en de gevolgen indien hij dit niet zou doen. De oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het proces en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De omstandigheid dat het verzoek tot samenvoeging in 2014 is gedaan en vervolgens ook een vonnis uit 2015 is meegenomen in het verzamelvonnis, doet daar niet aan af. De rechtbank moet ervan uitgaan dat deze omstandigheid op een juiste wijze in de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid is betrokken. Het doet niet af aan het feit dat de opgeëiste persoon zelf heeft gevraagd om samenvoeging en dus wist dat hij zich beschikbaar en bereikbaar moest houden voor dat proces en dat proces ook zelf in de gaten moest houden.
Onderliggend vonnis met nummer II K 481/13
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 22 juni 2023 volgt dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven. Hij is toen gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en de gevolgen indien hij dit niet zou doen. De oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Deze oproep is door een volwassen huisgenoot uitgereikt die de oproep aan de opgeëiste persoon zou geven.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Feiten
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
diefstal;
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;
opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan.
5Overige verweren; familieleven
De raadsman heeft betoogd dat overlevering een inbreuk is op zijn familieleven. Hij woont al sinds 2017 in Nederland en heeft hier een gezin.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op familieleven niet is onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat een beroep op artikel 7 Handvest niet kan slagen. De rechtbank overweegt dat overlevering in dit geval een toegestane beperking is op de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. De inmenging in de uitoefening van het recht op privé-, gezins- en familieleven levert daarom geen beletsel op voor overlevering.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 231b, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht, 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juli 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.