Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-06
ECLI:NL:RBAMS:2023:4422
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,333 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031735-23 (was parketnummer 13/751889-14)
Datum uitspraak: 6 juli 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 17 november 2014 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2010 door the Regional Court Szczecin (Polen; hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1973,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 13 januari 2015
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 januari 2015, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd, doch voor een periode van maximaal tweeënhalve maand, geschorst, teneinde de uitkomst van in Polen door of namens de opgeëiste persoon gestarte procedures af te wachten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de Overleveringswet (OLW) (oud) uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd.
Zitting 13 maart 2015
De behandeling van het EAB is, met toestemming, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 maart 2015, in aanwezigheid van mr. R. Vorrink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de verdere ontwikkelingen rond de verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van de straffen en borgtocht af te wachten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW (oud) uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlenging nodig had om over de verzochte overlevering te beslissen.
Zitting 12 mei 2015
De behandeling van het EAB is, met toestemming, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 mei 2015, in aanwezigheid van mr. R. Bosman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is voor onbepaalde tijd geschorst, om de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen nader te onderbouwen of de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander.
Zitting 22 juni 2023
De behandeling van het EAB heeft (opnieuw) plaatsgevonden op de zitting van 22 juni 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt twee voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen:
een final and valid judgement of District Court in Szczecin (Polen) van 5 april 2001, referentienummer V K 179/01 (hierna: vonnis I);
een finald and valid judgement of the District Court in Szczecin (Polen) van 3 december 2004, referentienummer VI K 318/03 (hierna: vonnis II);
Ten aanzien van vonnis I wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog één jaar, zeven maanden en 17 dagen.
Ten aanzien van vonnis II wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon dient de gehele straf nog te ondergaan.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Het EAB vermeldt daarnaast een enforceable decision on provisional custody of the District Court in Szczecin van 12 maart 2009, referentienummer 1Ds 4369/05. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit.
Uit de aanvullende informatie van 14 juni 2023 blijkt ten aanzien van de beslissing van the District Court in Szcecin 12 maart 2009 dat geen sprake meer is van het recht tot vervolging, aangezien de Poolse autoriteiten de zaak hebben geseponeerd. Nu ten aanzien van de vervolgingsbeslissing met referentienummer 1Ds 4369/05 geen sprake meer is van een voor ten uitvoerlegging vatbaar arrestatiebevel, zal de rechtbank op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c OLW, de overlevering in zoverre weigeren.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Ten aanzien van vonnis I met referentienummer V K 179/01
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid.
Ten aanzien van vonnis II met referentienummer VI K 318/03
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering ten aanzien van vonnis II geweigerd dient te worden, gelet op artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was, blijkens het EAB, niet bij dit proces aanwezig en is niet in persoon gedagvaard. Er is weliswaar een oproeping verstuurd naar zijn laatst opgegeven adres, maar er is maar weinig bekend over de wijze waarop dit is gegaan. Gelet op de beperkte informatie uit 2015 kan niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
De officier van justitie heeft verzocht af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon volgens haar wel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrecht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
Feiten
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 19 juni 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is aldus voldaan.
Dit betekent dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Standpunt raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de tenuitvoerlegging van de vonnissen naar Nederlands recht is verjaard. Daarbij heeft zij verzocht niet af te zien van de weigeringsgrond.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging van de vonnissen naar Nederlands recht is verjaard, maar dat kan worden afgezien van de facultatieve weigeringsgrond. Het EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2010 en is al in 2015 in behandeling genomen. Dat het recht tot uitvoering van de straffen die in de Poolse vonnissen zijn opgelegd naar Nederlands recht is verjaard, komt uitsluitend doordat de zaak op de plank is gelegd om de uitkomst in de Popławski-zaak af te wachten. De vonnissen zijn overigens pas enkele jaren geleden verjaard. Het is daarnaast in het belang van de opgeëiste persoon dat hij de straffen hier gaat uitzitten, aangezien hij bij een eventueel verblijf in het buitenland opnieuw kan worden aangehouden en dan (eventueel) alsnog kan worden overgeleverd. In Polen zijn de vonnissen immers nog voor tenuitvoerlegging vatbaar en zolang dat het geval is, blijft het EAB van kracht en zal hij gesignaleerd blijven staan.
Oordeel van de rechtbank
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering van de opgeëiste persoon, in een geval als het onderhavige waarin overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van straffen, worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben.
De rechtbank dient dan ook eerst de vraag te beantwoorden of naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, nu de opgeëiste persoon gelijkgesteld wordt met een Nederlander.
Uit de Poolse feitsomschrijvingen in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld is voor een diefstal met braak in vereniging en een poging diefstal met braak in vereniging. Op deze feiten staat naar Nederlands recht, op grond van artikel 70 Sr, een verjaringstermijn van 12 jaar. Op grond van artikel 6.1.22, tweede lid, Sv, moet daar voor het berekenen van de tenuitvoerleggingstermijn, een derde, dus vier jaar, bij worden opgeteld. Dit betekent dat de tenuitvoerleggingstermijn voor de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld, 16 jaar betreft.
Het EAB vermeldt dat de vonnissen op 5 april 2001 en 3 december 2004 onherroepelijk zijn geworden. Gezien het voorgaande betekent dit dat het recht tot uitvoering van de straffen die aan de opgeëiste persoon in die vonnissen zijn opgelegd naar Nederlands op 5 april 2017 en op 3 december 2020 is verjaard, zodat de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW op beide vonnissen van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve grond.
De rechtbank stelt voorop dat het in het belang van de opgeëiste persoon zou kunnen worden geacht om af te zien van weigering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Een weigering van de overlevering voor de vonnissen op grond genoemd artikel(lid) betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de bij die vonnissen opgelegde straffen niet meer zou hoeven te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straffen niet is verjaard naar het recht van Polen, moet de opgeëiste persoon, wanneer hij gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer immers rekening houden met de mogelijkheid van overlevering voor de tenuitvoerlegging van die straffen vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging in Polen zouden de met de tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen (vgl. het vonnis van deze rechtbank van 11 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6525).
In het onderhavige geval ziet de rechtbank evenwel, mede op grond van de door de raadsvrouw in dit kader aangedragen argumenten, aanleiding om niet af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Allereerst is van belang dat er intussen vele jaren zijn verstreken nadat het EAB op 11 november 2014 is uitgevaardigd en ook nadat de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de vonnissen (op 5 april 2017 respectievelijk 3 december 2020) was voltooid. De rechtbank acht daarnaast van belang dat de opgeëiste persoon in Nederland zijn leven heeft opgebouwd, dat hij intussen niet meer in aanraking met justitie is gekomen en dat hij, blijkens de stukken, sinds 25 mei 2010 in Nederland in de Basisregistratie Personen ingeschreven heeft gestaan, waaruit blijkt dat hij zich niet schuil heeft willen houden voor de Poolse autoriteiten.
Conclusie
Nu ten aanzien van het vervolgings-deel van het EAB de weigeringsgrond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, jo artikel 28, tweede lid, OLW van toepassing is en ten aanzien van de vonnissen I en II is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van de overige weigeringsgronden.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7, 9 en 12 van de Overleveringswet.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court Szczecin (Polen).
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. P. Sloot en D. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. F.A. Potters en I. van Heusden, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 juli 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.