Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-06
ECLI:NL:RBAMS:2023:4420
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031656-23 (was parketnr. 13/751009-17) (EAB I)
Datum uitspraak: 6 juli 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 19 januari 2017 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 november 2016 door the District Court in Koszalin (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 28 maart 2017
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 maart 2017, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is voor onbepaalde geschorst om de antwoorden af te wachten op aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen in de zaak Popɫawski (C-579/15).
Zitting 22 juni 2023
Het EAB is opnieuw behandeld op de zitting van 22 juni 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Van een verlenging van de beslistermijn als bedoeld in het kaderbesluitconform uitgelegde vierde lid van artikel 22 (oud) van de Overleveringswet (OLW) is de rechtbank niet gebleken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsman heeft primair gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering het EAB in behandeling te nemen, subsidiair dat de overlevering dient te worden geweigerd. Op de zitting van 28 maart 2017 heeft de rechtbank onder het oude recht de beslistermijn voor onbepaalde tijd verlengd en daarmee is deze nog steeds rechtsgeldig. Er is - na de zitting van 28 maart 2017 - nog een tweede EAB uitgevaardigd met parketnummer 13/752083-17 (EAB II). Dit EAB II is niet eerder op een zitting behandeld, want is samen met EAB I op de plank gelegd in afwachting van de afloop van de Popławski-zaak. Ten aanzien van EAB II is de beslistermijn verstreken en wel zodanig dat de officier van justitie ten aanzien van dat EAB II niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard. Als EAB II wel met enige voortvarendheid was opgepakt en (binnen de beslistermijn, direct na afronding van de Popławski-zaak) op een zitting was gepland, had EAB I ook op die zitting kunnen worden behandeld. Daarom verzoekt de raadsman de rechtbank om de officier van justitie niet alleen in haar vordering ten aanzien van EAB II, maar ook in die ten aanzien van EAB I niet-ontvankelijk te verklaren. EAB I had onder hetzelfde wettelijke systeem als EAB II kunnen vallen, aangezien beide EAB’s gevoegd dan wel gelijktijdig hadden kunnen worden behandeld, aldus de raadsman.
De officier van justitie heeft – kort samengevat – meegedeeld dat er geen gebreken zijn ten aanzien van de beslistermijn van EAB I en dat er geen redenen zijn die zouden moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring dan wel weigering van de overlevering.
De rechtbank overweegt als volgt.
In het proces-verbaal van 28 maart 2017 staat vermeld dat het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd is geschorst, maar dat betekent – anders dan de raadsman kennelijk meent - niet dat met die beslissing ook de beslistermijn (voor onbepaalde tijd) is verlengd. Zoals hiervoor onder 1. is overwogen, is (ook) de beslistermijn van onderhavig EAB, zijnde EAB I, ruimschoots verstreken. Het verstrijken van de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op het overleveringsverzoek moet beslissen, leidt er naar vaste jurisprudentie van deze rechtbank weliswaar toe dat er geen grond meer is voor de overleveringsdetentie, maar het leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. Een overschrijding van de beslistermijn leidt er evenmin toe dat de overlevering op grond daarvan geweigerd zou moeten worden. Een eventuele overschrijding van de beslistermijn heeft niet tot gevolg dat de verplichting om op het EAB te beslissen, vervalt (HvJ EU 16 juli 2015, C-237/15, ECLI:EU:C:2015:474 (Lanigan), punt 42). Reeds daarom kan het verweer niet slagen.
4Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgement of the Local Court in Bialogard van 6 april 2010, referentienummer II K 672/09.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon (nog geheel) te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Blijkens het EAB was de bij het vonnis van 6 april 2010 (II K 672/09) opgelegde gevangenisstraf aanvankelijk voorwaardelijk opgelegd.
Uit onderdeel f) van het EAB blijkt verder dat bij beslissing van 12 december 2014 de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen.
Omtrent de toetsing van een dergelijke herroepingsbeslissing is op 23 maart 2023 door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen arrest in de zaak LU & PH
(ECLI:EU:C:2023:235) van belang. In rechtsoverweging 68 wordt overwogen:
Uit een en ander volgt dat artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf naar aanleiding van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling wordt herroepen en met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd, deze bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling een „beslissing” in de zin van die bepaling vormt.
Feiten
telkens; oplichting, meermalen gepleegd.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 1 juni 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5. weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon in ieder geval voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 326 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 4. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. P. Sloot en D. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. F.A. Potters en I. van Heusden, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 juli 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Zie onderdeel e) van het EAB.