Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-07
ECLI:NL:RBAMS:2023:4330
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,377 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/806
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.L. Soedamah),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Ahmed).
Procesverloop
Op 1 april 2022 heeft het college een aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Participatiewet afgewezen.
Op 30 december 2022 heeft het college het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2023. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Wat aan deze procedure vooraf ging
1. Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Het college heeft deze bijstandsuitkering per 20 december 2019 ingetrokken, omdat eiseres langer in het buitenland heeft verbleven dan toegestaan.
2. Op 31 januari 2022 heeft eiseres opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd.
3. Een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam (de handhavingsspecialist) heeft onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiseres en hiervan een rapport van bevindingen opgesteld. De handhavingsspecialist heeft geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het opgegeven uitkeringsadres woont.
4. Het college heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij het college geen volledige inlichtingen heeft gegeven.
5. Tegen die afwijzing heeft eiseres bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar ongegrond verklaard.
Overwegingen
6. De rechtbank moet in deze procedure de vraag beantwoorden of het college de aanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen.
7. De te beoordelen periode loopt van 30 januari 2022, de datum waarop eiseres zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 1 april 2022, de datum van het afwijzingsbesluit.
8. Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
9. Voor de vaststelling van het recht op bijstand is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat over de woon- en leefsituatie van een belanghebbende. Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij ten tijde van de aanvraag woonde op het door haar opgegeven uitkeringsadres. Dit blijkt volgens haar uit het gegeven dat zij per
1 augustus 2022 een bijstandsuitkering ontvangt.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij in de te beoordelen periode op het door haar opgegeven adres woonde. Dat het college heeft aangenomen dat eiseres per 1 augustus 2022 haar hoofdverblijf had op het door haar opgegeven adres, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij haar hoofdverblijf hier ook had in de te beoordelen periode. De datum 1 augustus 2022 valt buiten de te beoordelen periode en er zit een relatief lange periode (vier maanden) tussen 1 april 2022 en 1 augustus 2022. De feitelijke situatie betreffende het hoofdverblijf van eiseres per
1 augustus 2022 kan daarom niet op één lijn worden gesteld met de feitelijke situatie in de te beoordelen periode. Dat de bevindingen van het college over haar feitelijke woonsituatie in de te beoordelen periode onjuist zijn heeft eiseres in beroep niet gesteld, laat staan onderbouwd.
12. Het beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 10 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:30.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:974.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:587.