Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-22
ECLI:NL:RBAMS:2023:4200
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,413 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/058373-23
Datum uitspraak: 22 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 27 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 januari 2023 door the Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
I. Procesgang
De zitting van 10 mei 2023
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.D. Winter, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is voor bepaalde tijd geschorst, in afwachting van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de vragen die waren gesteld.
De zitting van 8 juni 2023
De behandeling van het EAB is met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 8 juni 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.D. Winter en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
I. een final aggregate judgement van the District Court Gdańsk-South (kenmerk X K 357/16) van 13 september 2016. Met dit verzamelvonnis zijn de onderstaande twee vonnissen samengevoegd:
een vonnis van the District Court Gdańsk-South in Gdańsk van 1 februari 2011 (kenmerk X K 917/10);
een vonnis van the District Court Gdańsk-South in Gdańsk van 5 juli 2011 (kenmerk X K 367/09);
II. een final judgement van the District Court Gdańsk-South in Gdańsk van 14 januari 2014 (kenmerk X K 1642/12).
Met het arrest van 24 januari 2017 (kenmerk V Ka 1402/16) heeft the Regional Court in Gdansk. Criminal Appellate Division V het verzamelvonnis met kenmerk X K 357/16 in stand gelaten.
Met het arrest van 17 september 2014 (kenmerk V Ka 561/14) heeft the Regional Court in Gdansk. Criminal Appellate Division V het vonnis met kenmerk 1642/14 in stand gelaten
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar (vonnis I) en 1 jaar (vonnis II), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen en arrest.
Deze vonnissen en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het verzamelvonnis met kenmerk X K 357/16
Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2023 blijkt dat in hoger beroep tegen het verzamelvonnis met kenmerk X K 357/16 definitief uitspraak is gedaan over de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Dit betekent dat de rechtbank alleen het hoger beroep van het verzamelvonnis (kenmerk V Ka 1402/16) dient te toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is vertegenwoordigd door een advocaat “appointed by himself” en dat alleen de public prosecutor hoger beroep heeft ingesteld. De opgeëiste persoon was blijkens de aanvullende informatie van 15 mei 2023 niet aanwezig bij de behandeling van de zaak in hoger beroep. Uit deze aanvullende informatie blijkt ook dat de oproep voor de zitting in hoger beroep naar het kantooradres van de advocaat is verstuurd. Uit het dossier noch uit de aanvullende informatie blijkt of de opgeëiste persoon de advocaat in hoger beroep ook daadwerkelijk had gemachtigd. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon rekening moest houden met of op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
De zaak is al eerder aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Onder andere is in die vragen al voorgelegd of sprake was van een gemachtigd advocaat. De rechtbank ziet – mede gelet op het verstrijken van de beslistermijn – geen aanleiding om de zaak nogmaals aan te houden om hierover weer aanvullende vragen te stellen. Dit betekent dat de rechtbank de overlevering zal weigeren voor het verzamelvonnis. Onder deze omstandigheden hoeft de rechtbank zich niet uit te laten over de onderliggende vonnissen.
Vonnis met kenmerk X K 1642/12
Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2023 blijkt dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Dit betekent dat de rechtbank alleen het hoger beroep dient te toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij overweegt daartoe als volgt. De opgeëiste persoon en de advocaat waren beiden niet aanwezig bij de behandeling van de zaak in hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon in hoger beroep wel een advocaat “appointed by himself” had, maar niet is gebleken dat de opgeëiste persoon deze advocaat had gemachtigd. De oproepingen zijn vergeefs aangeboden op het adres van de opgeëiste persoon, maar niet opgehaald bij het postkantoor. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon een adresinstructie is gegeven die zich ook uitstrekt over een eventueel hoger beroep, dat het hoger beroep is ingesteld in opdracht of met medeweten van de opgeëiste persoon dan wel dat hij anderszins rekening moest houden met of op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gdańsk, Polen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. M.C. Eggink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.