Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-22
ECLI:NL:RBAMS:2023:4199
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,514 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/096322-23
Datum uitspraak: 22 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 19 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2023 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Polen),
verblijfadres: [adres], [plaats],
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juni 2023, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.S. Dobosz, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Trzcianka van 18 januari 2022 (kenmerk II K 284/21), upheld by het arrest van the Regional Court in Poznán van 11 mei 2022 (kenmerk IV Ka 368/ 22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze volledige straf resteert volgens het EAB nog. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en arrest.
Dit vonnis en arrest betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Uit de aanvullende informatie van 25 mei 2023 leidt de rechtbank af dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Dit betekent dat de rechtbank alleen de procedure in hoger beroep zal toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt dat op 11 mei 2022 de zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden en de advocaat daarbij aanwezig was. Uit het dossier blijkt echter niet of deze advocaat door de opgeëiste persoon was gemachtigd en of hij daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. De enkele omstandigheid dat in de aanvullende informatie is vermeld dat de opgeëiste persoon bijstand heeft gehad van een advocaat “appointed by him (by choice)” is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de advocaat ook gemachtigd was. Dit betekent dat geen van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van het toepassen van de weigeringsgrond, nu uit aanvullende informatie blijkt dat verdachte een adresinstructie zou hebben gekregen, maar niet duidelijk is of die adresinstructie zich ook uitstrekt tot de procedure in hoger beroep. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon anderszins rekening moest houden met of op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet concluderen dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten zou opleveren.
Nu het Internationaal Rechtshulp Centrum op 22 mei 2023 over het voorgaande al vragen heeft gesteld aan de Poolse autoriteiten, ziet de rechtbank geen aanleiding (nogmaals) aanvullende informatie op te vragen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań, Polen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. M.C. Eggink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.