Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-04
ECLI:NL:RBAMS:2023:4190
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,411 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/084933-23
Datum uitspraak: 4 juli 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 6 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 februari 2023 door the Regional Court [Sąd Okręgowy] in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
uit andere hoofden gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres].
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 1 juni 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juni 2023, in aanwezigheid van mr. N.R Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.E. Buiting, advocaat in Gouda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting voor bepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen navraag te doen naar de reden van de ruime tijd tussen de uitspraakdatum en het onherroepelijk worden van het vonnis. Mocht de reden hiervan zijn dat een hoger beroepsprocedure heeft plaatsgevonden waarbij de zaak ten gronde is behandeld, dan wenste de rechtbank een ingevuld kruisjesformulier van onderdeel d) over de hoger beroepsprocedure te ontvangen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
Zitting 20 juni 2023
De behandeling van de vordering is in gewijzigde samenstelling, met toestemming van partijen, voortgezet op de zitting van 20 juni 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.E. Buiting en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the District Court [Sąd Rejonowy] Lublin-Zachód in Lublin of 27th December 2019 (IV K 750/19).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat vaststaat dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de procedure in hoger beroep en ook niet is gebleken dat hij wist wanneer die procedure zou plaatsvinden. Hij heeft ook geen advocaat gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Er is niet voldaan aan één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, sub a tot en met d, OLW. Ook kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon nadrukkelijk dan wel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de procedure in hoger beroep en aldaar zijn verdediging te voeren.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat van weigeren kan worden afgezien.
Oordeel van de rechtbank
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Uit de aanvullende informatie van 6 juni 2023 volgt dat de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 juni 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon over het ingestelde hoger beroep is geïnformeerd toen hij gedetineerd zat. Hij heeft toen aangegeven dat hij bij het proces aanwezig wilde zijn. De opgeëiste persoon is echter vrijgelaten voor de zittingsdatum. De oproep voor de zitting is daarom gestuurd naar het adres dat door hem is opgegeven tijdens het politieverhoor op 20 augustus 2019. Tijdens dit politieverhoor is hij bovendien gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven gedurende het gehele strafproces, waaronder ook het hoger beroep, en is hij ook gewezen op de gevolgen indien hij dit niet zou doen. Deze instructie heeft hij op 20 augustus 2019 ondertekend.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces en moest er onder de gegeven omstandigheden rekening mee houden dat hij zou worden opgeroepen voor een zitting in hoger beroep op het eerder door hem opgegeven adres. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De raadsman heeft aangevoerd dat het feit niet dubbel strafbaar is en de overlevering daarom moet worden geweigerd.
De officier van justitie heeft op het facultatieve karakter van artikel 7 OLW gewezen en zich op het standpunt gesteld dat van toepassing van de weigeringsgrond moet worden afgezien in dit geval.
De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van dubbele strafbaarheid. Het niet terugkeren naar de gevangenis na verlof is in Nederland geen strafbaar feit.
De rechtbank ziet aanleiding om van weigering op grond van artikel 7 OLW af te zien vanwege het volgende. Het feit heeft geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is immers begaan in Polen, waarbij de Poolse rechtsorde is geschaad.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court [Sąd Okręgowy] in Lublin (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juli 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.