Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-13
ECLI:NL:RBAMS:2023:3921
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,591 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/075666-22
Datum uitspraak: 13 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 5 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 november 2021 door the District Court in Wrocław (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1964,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and binding judgement of the district court in Wrocław of 15 January 2020, reference III K 321/19.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld, maar dat is later weer door de opgeëiste persoon ingetrokken.
Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat de zaak in hoger beroep niet ten gronde is behandeld, zodat die procedure niet behoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB, gelezen in samenhang met het M-formulier, dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit is ingezonden na aanvullende vragen van het IRC, nog 2 jaren, 5 maanden en 5 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst alle daarin vermelde strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Het standpunt van de verdediging
Uit een zich in het dossier bevindende Informatiestaat SKDB, blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 1 juni 2015 in Nederland is ingeschreven, sinds 21 maart 2016 op zijn huidige adres. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2017 tot en met 2021 aan de rechtbank doen toekomen. Hierop staan de volgende verzamelinkomens vermeld:
2017: € 22.268,--
2018: € 25.567,--
2019: € 1.543,--
2020: € 24.953,--
2021: € 34.218,--
De raadsman heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon continu in Nederland heeft verbleven, op 12 maanden en 25 dagen na, de periode dat hij in Polen gedetineerd was. De raadsman heeft gesteld dat die periode korter is dan 2 jaar, de termijn die geldt met het oog op verlies van het verblijfsrecht. Gelet op die detentieperiode heeft de opgeëiste persoon in 2019 minder inkomsten gehad. Ook gedurende die periode heeft hij echter geen aanspraak gemaakt op de openbare kas. De raadsman heeft geconcludeerd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander en dat de overlevering op grond van dit artikel dient te worden geweigerd en de straf moet worden overgenomen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hij heeft een periode van ruim één jaar niet in Nederland verbleven en had in dat jaar een te laag inkomen. Ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren in Nederland is daarom niet aangetoond.
Beoordeling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Die periode is onderbroken door detentie van ruim één jaar in Polen in 2019. De periode van twee jaar, door de raadsman benoemd, is pas van toepassing na de verwerving van het duurzaam verblijfsrecht (een eenmaal verkregen duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden verloren door afwezigheid van meer dan twee opvolgende jaren). Van dat duurzaam verblijfsrecht was echter op het moment van de detentie in Polen nog geen sprake.
Aan deze voorwaarde is dus niet voldaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan toetsing aan de overige voorwaarden. Het beroep op gelijkstelling faalt, zodat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet toepasselijk is.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
het onderzoek is in Polen aangevangen;
de opgeëiste persoon is in Polen reeds onherroepelijk veroordeeld voor alle feiten, die deels (mede) op Pools grondgebied zijn gepleegd;
de verdovende middelen zijn in Polen geproduceerd en verkocht.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, gelet op hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd, onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Wrocław (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.