Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-13
ECLI:NL:RBAMS:2023:3918
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,193 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/336863-22
Datum uitspraak: 13 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 22 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2022 door het Amtsgericht Nordhorn (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de Overleveringswet (OLW) op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel strekkende tot voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Nordhorn van 23 november 2022, dossiernummer: 6 Ls 630 Js 53537/22 (45/22).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich op het stadpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd voor zover deze wordt gevraagd ten aanzien van de bij de opgeëiste persoon aangetroffen zwarte pil en drie cannabiszaadjes. De stof die de pil bevat is onbekend en het bezit van de zaden is niet strafbaar.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie begrijpt het EAB zo dat de overlevering alleen wordt gevraagd voor de invoer van de cannabisplanten. Het vermelden van de zwarte pil en de zaadjes ziet de officier van justitie als een omschrijving van de omstandigheden waaronder de cannabisplanten zijn aangetroffen. Voor zover de rechtbank het EAB anders leest, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd voor het bezit van de zwarte pil en de cannabiszaadjes.
Beoordeling
De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, het bezit van de zwarte pil en de drie cannabiszaadjes als een omschrijving van de omstandigheden waaronder de verdenking is gerezen. Nu het EAB uitdrukkelijk slechts melding maakt van één strafbaar feit, met één bijbehorende wettelijke bepaling, leest de rechtbank het EAB zo dat de overlevering slechts wordt gevraagd met betrekking tot de invoer van 1.536 cannabisplanten. De rechtbank zal zich bij de beoordeling van het EAB dan ook beperken tot laatstgenoemd feit.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Namens de uitvaardigende justitiële autoriteit is per e-mail van 27 maart 2023 de volgende garantie gegeven:
I can confirm that in the event that mr. [opgeëiste persoon] is convicted, it is guaranteed that mr. [opgeëiste persoon] may return to the Netherlands and any punishment imposed in the Netherlands may be enforced.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
het onderzoek is in Duitsland aangevangen;
het bewijsmateriaal bevindt zich in Duitsland;
de hennepplanten zijn in Duitsland aangetroffen;
de Duitse autoriteiten hebben de wens tot vervolging geuit middels uitvaardiging van het EAB;
het Openbaar Ministerie in Nederland is niet voornemens om vervolging voor het feit in te stellen.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, gelet op hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd, onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Nordhorn (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB (te weten invoer/vervoer van 1.536 cannabisplanten).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.