Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-06-22
ECLI:NL:RBAMS:2023:3912
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,567 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/109356-23
Datum uitspraak: 22 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 28 april 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2017 door the District Court in Gdánsk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juni 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3De vordering van de officier van justitie
De raadsman heeft betoogd dat overlevering aan Polen onwenselijk en niet opportuun is, omdat in Duitsland al op hetzelfde EAB is beslist en de Poolse autoriteiten toestemming hebben gegeven voor tenuitvoerlegging van de straf in Duitsland. Overlevering aan Polen door Nederland zou strijd met het nemo debet bis vexari beginsel opleveren.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gevolg dient te worden gegeven aan de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Het nemo debet bis vexari beginsel geldt niet in overleveringszaken, omdat weigeringsronden situationeel zijn en per land kunnen verschillen. In de onderhavige zaak is de in Polen opgelegde straf niet in Duitsland tenuitvoergelegd. Nederland heeft op grond van de Overleveringswet een zelfstandige verplichting om het EAB in behandeling te nemen.
Beoordeling
Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 28 februari 2023, nader gemotiveerd bij uitspraak van
22 maart 2023, geoordeeld dat de rechtszekerheid en de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten meebrengen dat de rechtbank geen uitzonderingen meer aanvaardt op de hoofdregel dat een nieuwe vordering tot het in behandeling nemen van eenzelfde EAB waarop eerder door de rechtbank bij uitspraak werd beslist, niet past in het stelsel van de OLW. Hierbij heeft de rechtbank het Unierecht betrokken, in het bijzonder het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 31 januari 2023, C-158/21.
Deze jurisprudentie van de rechtbank betreft niet-ontvankelijk verklaringen van de officier van justitie in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB vanwege een eerdere weigering van de overlevering op basis van hetzelfde EAB door de Nederlandse rechter. De rechtbank ziet geen aanleiding die lijn naar analogie toe te passen als sprake is van een eerdere beslissing door een rechter in een andere lidstaat.
De rechtbank stelt voorop dat zij verplicht is om over elk EAB dat aan haar wordt toegezonden een beslissing over de tenuitvoerlegging daarvan te nemen. Het beginsel van wederzijdse erkenning strekt zich niet uit tot een beslissing tot weigering van de overlevering. De weigeringsgronden zijn per lidstaat situationeel en verschillend.
Uit de omstandigheid dat Duitsland de in Polen opgelegde straf zou willen overnemen, leidt de raadsman af dat overlevering dient te worden geweigerd in verband met strijd met het ne bis vexari-beginsel. Dit betoog kan niet worden gevolgd, nu er een geldig EAB ter beoordeling aan deze rechtbank voorligt. Het feit dat in een eerdere lidstaat eerder op het EAB is beslist, doet niets af aan de geldigheid van het EAB.
De Nederlandse rechter moet dus aan de hand van de Nederlandse OLW zelfstandig toetsen of de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank moet daarom gevolg geven aan de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van het EAB.
4Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence van the Regional Court in Gdynia van 10 december 2013 met het kenmerk II K 971/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 6 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank stelt verder vast dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich heeft voorgedaan. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 30 november 2013 in persoon is opgeroepen en dat hij daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De rechtbank ziet geen aanleiding om twijfelen aan hetgeen hierover in het EAB staat. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich niet voor.
5Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De raadsman heeft een beroep gedaan op het arrest van het HvJ EU van 5 juni 2023, C-204/21.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nog daargelaten dat die structurele of fundamentele gebreken op zijn vroegst pas vanaf het najaar van 2017 een dergelijk algemeen gevaar opleveren en dus pas lange tijd na de veroordeling van de opgeëiste persoon, heeft de opgeëiste persoon geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, zodat niet is aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Gdánsk voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. M.C. Eggink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2023:1051
ECLI:NL:RBAMS:2023:1661
HvJ EU 25 juli 2018, C-268/17, ECLI:EU:C:2018:602 (AY (Europees aanhoudingsbevel – Getuige)), punt 36.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).