Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-02-08
ECLI:NL:RBAMS:2023:371
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,871 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/651217 / HA ZA 18-723
Vonnis van 8 februari 2023
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] (Moldavië),
2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] (Moldavië),
3. de vennootschap naar vreemd recht
ASCOM GROUP S.A.,
gevestigd te Chisinau (Moldavië),
4. de vennootschap naar vreemd recht
TERRA RAF TRANS TRAIDING LTD.,
gevestigd te Gibraltar,
eisers,
advocaat mr. K.J. Krzeminski te Rotterdam,
tegen
de vennootschap naar vreemd recht
SAMRUK-KAZYNA JSC,
gevestigd te Astana (Kazachstan),
gedaagde,
advocaat mr. J. van den Brande te Rotterdam,
en
de REPUBLIEK KAZACHSTAN,
zetelend te Astana (Kazachstan),
aan de zijde van Samruk-Kazyna JSC gevoegde partij,
advocaat mr. J.J. Valk te Amsterdam.
Partijen zullen hierna weer [eisers] , Samruk en Kazachstan genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 28 april 2021 en de daarin genoemde processtukken;
- de akte tevens conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties, van Samruk;
- de akte uitlating eiswijziging tevens aanvulling van gronden, met producties, van Kazachstan;
- de akte uitlaten naar aanleiding van arrest hof Den Haag, met producties, van [eisers] ;
- de nadere akte, met producties, van Samruk;
- de akte uitlating arrest gerechtshof Den Haag, met producties, van Kazachstan;
- het verzoek van ieder van partijen om vonnis te wijzen.
1.2.
Die laatste verzoeken impliceren dat partijen afzien van de in de rolbeslissing van 28 april 2021 voorziene mondelinge behandeling.
1.3.
Samruk heeft in haar nadere akte de eerder door haar ingestelde vordering in reconventie ingetrokken. [eisers] zijn vervolgens op die intrekking niet teruggekomen. Van een geschil in reconventie is daarmee geen sprake meer.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
[eisers] vorderen – na wijziging van eis en de gronden daarvan – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a. voor recht verklaart dat Samruk dient te worden vereenzelvigd met Kazachstan, althans dat Samruk misbruik van recht maakt door zich te beroepen op het tussen Samruk en Kazachstan bestaande identiteitsverschil en dat daarom aan dit identiteitsverschil voorbij moet worden gegaan, althans dat het inroepen door Samruk van deze juridische zelfstandigheid onrechtmatig is jegens [eisers] , en dat [eisers] uit dien hoofde gerechtigd zijn zich te verhalen op de vermogensbestanddelen van Samruk ter hoogte van het bedrag waartoe Kazachstan in het Arbitraal Vonnis en het Aanvullend Arbitraal Vonnis, voor zover deze krachtens onherroepelijk verleend verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland jegens Kazachstan voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking komen, is veroordeeld;
b. Samruk veroordeelt tot betaling aan [eisers] van de bedragen zoals vermeld in het Arbitraal Vonnis en het Aanvullend Arbitraal Vonnis, voor zover deze krachtens onherroepelijk verleend verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland jegens Kazachstan voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking komen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat Samruk met de betaling hiervan in verzuim is, althans vanaf 7 december 2017;
c. Samruk veroordeelt te dulden dat het Arbitraal Vonnis en het Aanvullend Arbitraal Vonnis, voor zover deze krachtens onherroepelijk verleend verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland jegens Kazachstan voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking komen, op haar vermogensbestanddelen in Nederland worden tenuitvoergelegd;
met hoofdelijke veroordeling van Samruk en Kazachstan in de proceskosten, de beslagkosten, de vertalingskosten en de nakosten alsmede wettelijke rente over al deze kosten.
2.2.
Bij de rolbeslissing van 28 april 2021 is de zaak verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van Samruk en Kazachstan opdat zij kunnen reageren op de eiswijziging en de gronden daarvan.
2.3.
Samruk en Kazachstan hebben vervolgens beide een dergelijke akte genomen.
2.4.
Bij de rolbeslissing van 28 april 2021 is voorts verstaan dat de zaak vervolgens zal worden verwezen naar de parkeerrol in afwachting van het arrest van het gerechtshof Den Haag (en is iedere verdere beslissing aangehouden).
Daartoe is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Zowel in het geding bij het gerechtshof Den Haag als in het onderhavige geding staat centraal de juridische status van het door [eisers] op de aandelen van Samruk in het kapitaal van KMGK gelegde conservatoire beslag, mede in het licht van het beroep van Samruk en Kazachstan op immuniteit van executie (dat op zijn beurt inmiddels moet worden bezien in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020). In het onderhavige geding komt daarbij de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. In beide gedingen moet over het rechtens (voort)bestaan van het beslag worden beslist. Tegenstrijdige beslissingen kunnen tot processuele complicaties leiden. Over de procedure is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen. De zaak zal vervroegd worden opgebracht zodra partijen de rechtbank hebben geïnformeerd dat het gerechtshof Den Haag arrest heeft gewezen. De zaak zal alsdan op de rol worden geplaatst opdat het arrest in het geding kan worden gebracht en partijen zich – tegelijkertijd – bij akte (uitsluitend) kunnen uitlaten over het arrest en de gevolgen die zij in het onderhavige geding daaraan verbinden.
2.5.
Bij het door partijen in het geding gebrachte arrest van 14 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:977, heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat in kort geding voldoende is komen vast te staan dat de door [eisers] in beslag genomen aandelen van Samruk in KMGK immuniteit van executie genieten en dat het beslag moet worden opgeheven. Het hof heeft vervolgens het vonnis van de voorzieningenrechter van 5 januari 2018 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het beslag dat op 14 september 2017 ten laste van Samruk op verzoek van [eisers] is gelegd op alle aandelen die Samruk houdt in KMGK opgeheven; het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6.
[eisers] hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag.
2.7.
Op 15 september 2022 heeft Samruk haar aandelen KMGK overgedragen aan Coöperatieve KazMunaiGaz U.A.
2.8.
Aan de orde is de vraag naar de gevolgen van het arrest van het gerechtshof Den Haag voor dit geding.
2.9.
[eisers] betogen dat de onderhavige procedure moet worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van het door hen tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag ingestelde cassatieberoep.
2.10.
Samruk en Kazachstan betogen dat de rechtbank zich (alsnog) onbevoegd moet verklaren.
2.11.
De rechtbank overweegt als volgt.
a. Paragraaf 5 (Rechtsmacht) van het vonnis in incidenten van 18 maart 2020 opent met de overweging dat [eisers] onder verwijzing naar artikel 767 Rv betogen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verlof tot het door hen op de aandelen van Samruk in het kapitaal van KMGK gelegde conservatoire beslag heeft verleend.
b. In dat vonnis is onder 5.20 overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat de Nederlandse rechter reeds rechtsmacht toekomt op een andere grondslag dan artikel 767 Rv, zoals de artikelen 2 tot en met 9 Rv.
c. Het gaat dus alleen om artikel 767 Rv. In het vonnis in incidenten van 18 maart 2020 is in dit verband allereerst de juridische status van het door [eisers] gelegde conservatoire beslag onderzocht. Daarbij is opgemerkt dat, afgezien van het tegen zekerheidstelling voorkomen of opgeheven beslag, bij afwezigheid van een rechtens (voort)bestaand conservatoir beslag aan artikel 767 Rv geen rechtsmacht (meer) kan worden ontleend. Geconcludeerd is dat het beslag, vooralsnog, rechtsgeldig (voort)bestaat.
d. Bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde arrest van 14 juni 2022 van het gerechtshof Den Haag is het door [eisers] gelegde conservatoire beslag echter opgeheven, en wel met onmiddellijke ingang. Vergelijk HR 20 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1619 (Smokehouse/Culimer).
e. Deze in kort geding ten aanzien van het beslag genomen beslissing van het gerechtshof Den Haag heeft gevolgen voor deze zaak in termen van rechtsmacht.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart [eisers] niet-ontvankelijk;
3.2.
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van Samruk begroot op EUR 13.367,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf vijftien dagen na heden;
3.3.
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van Kazachstan begroot op EUR 13.367,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden;
3.4.
veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis aan de zijde van Samruk ontstane kosten, begroot op (i) EUR 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf vijftien dagen na heden, en, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen vijftien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, op (ii) EUR 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf vijftien dagen na betekening;
3.5.
veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis aan de zijde van Kazachstan ontstane kosten, begroot op (i) EUR 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden, en, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, op (ii) EUR 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening;
3.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, mr. R.H.C. van Harmelen en mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023.