Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-05-30
ECLI:NL:RBAMS:2023:3507
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,696 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.045306.23
Datum uitspraak: 30 mei 2023
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende op het adres [adres 1]
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.H. Buijsman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S.J. van der Woude naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de heer [persoon 2] , namens de Jeugdbescherming [locatie] (hierna: [jeugdbescherming]), de heer [persoon 3] , MST-therapeut en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] , voorheen [naam] , is ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. Öz.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging uit de Kruidvat (filiaal: [adres 2] ) van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde winkel op
9 februari 2023 te [plaats] ;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
Diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging uit de Kruidvat (filiaal: [adres 2] ) van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde winkel op
11 februari 2023 te [plaats]
en/of
afpersing in vereniging van een geldbedrag toebehorende aan de Kruidvat (filiaal [adres 2] ) op 11 februari 2023 te [plaats] ;
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
voorbereiding in vereniging van een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing op 13 februari 2023 te [plaats] ;
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie op 13 februari 2023 te [plaats] .
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal met bedreiging van geweld kan worden bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, die steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele medeverdachte(n). Uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt dat het verdachte is geweest die naar de Kruidvat is gegaan en het geld heeft weggenomen zonder dat hij dat samen met anderen heeft gedaan. De rechtbank zal verdachte daarom van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld op basis van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersing gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de ten laste gelegde afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder feit 3 ten laste gelegde voorbereiding van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het onder feit 4 ten laste gelegde wapenbezit wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Motivering
8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke jeugddetentie gevorderd voor de duur van vijf maanden, met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafeis van de officier van justitie.
8.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee gewapende overvallen op dezelfde winkel binnen twee dagen tijd. Slachtoffers werden daarbij bedreigd met wapens. Verdachte heeft onder dreiging van een vuurwapen geldbedragen van een medewerker afgeperst en weggenomen. Dit moet voor de winkelmedewerkers en de klanten een heel beangstigende gebeurtenis zijn geweest. Zo heeft een van de slachtoffers verklaard dat zij ontzettend is geschrokken. Ze heeft haar kinderen naar school gebracht die ochtend en echt letterlijk de dood in de ogen gekeken, aldus dit slachtoffer. Het idee dat zij in een vuurwapen heeft gekeken en dat dit haar laatste dag kon zijn, heeft haar erg verdrietig gemaakt. Het lijkt er daarnaast op dat verdachte foto’s en filmpjes met het weggenomen geld heeft gemaakt en daarmee stoer lijkt te willen doen. De verdachte heeft door zo te handelen op geen enkele manier rekening gehouden met de gevoelens van de slachtoffers en andere aanwezigen in de winkel. Naast de gevolgen voor de slachtoffers veroorzaken dit soort feiten ook sterke gevoelens van onveiligheid in hun directe omgeving en in de samenleving.
Verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld dan wel afpersing. Deze voorbereiding vond twee dagen plaats na de laatste overval op de Kruidvat. Dat betekent dat verdachte in een tijdsbestek van nog geen week, zich bezig heeft gehouden met drie gewapende overvallen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk en acht dit zeer zorgelijk. Een uitvoering van het door verdachte en medeverdachte(n) beoogde plan zou een enorme impact op de mogelijke slachtoffers, hun directe omgeving en de samenleving hebben gehad.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasrevolver, waarmee hij voornemens was een overval te plegen. Het is aan geluk te danken dat de overval is mislukt, anders was de kans groot dat verdachte wederom winkelpersoneel en klanten enorme angst had aangejaagd.
De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 2
0 februari 2023 waaruit blijkt dat verdachte op 2 februari 2023 door de kinderrechter in Rotterdam is veroordeeld voor een straatroof en vernieling.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportage, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is opgemaakt:
het Raadsrapport opgemaakt op 9 mei 2023.
Ter zitting heeft de Raad gepersisteerd bij het ingediende advies. De Raad heeft opgemerkt dat een contactverbod ten aanzien van de medeverdachte nog als aanvulling wordt geadviseerd op de bijzondere voorwaarden zoals in het advies opgenomen. Tot slot is het wat de Raad betreft met name van belang dat de hulpverlening en begeleiding zoals die nu is ingezet, wordt gecontinueerd. Gebleken is namelijk dat verdachte zich onder deze omstandigheden positief ontwikkelt waardoor het recidiverisico wordt ondervangen.
[jeugdbescherming]
heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van de Raad. De komende tijd is het van belang dat een geschikte school wordt gevonden voor verdachte. De deskundige van [jeugdbescherming] maakt zich geen zorgen over de vrije tijd die verdachte heeft, mits verdachte zich open en eerlijk blijft opstellen. Desalniettemin blijft dagbesteding ook een aandachtspunt en zal hier de komende tijd meer invulling aan moeten worden gegeven.
De MST-therapeut heeft ter zitting naar voren gebracht dat het intensieve ambulante traject tot nu toe goed verloopt. De samenwerking met zowel de moeder als met verdachte is goed. Samen met hen zijn doelen gesteld die met name zien op een veilige thuissituatie, het vinden van passende dagbesteding en het voorkomen van nieuw delictgedrag. De komende twaalf weken zal daar verder aan worden gewerkt.
De moeder van verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat haar zoon het op dit moment goed doet. Hij lijkt positief te zijn veranderd sinds het incident. Het is wel een beïnvloedbare jongen en daar moet aandacht aan gegeven worden door de hulpverlening.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank overweegt dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel aanleiding geven tot het opleggen van een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet echter geen aanleiding verdachte in jeugddetentie te plaatsen. Dit zou de positieve stappen die recent zijn gezet door verdachte tenietdoen. Verdachte profiteert van de intensieve hulpverlening. Ook is uit de rapportages gebleken dat verdachte een zeer beïnvloedbare jongen is, waardoor een plaatsing in jeugddetentie een averechts effect zal hebben op zijn ontwikkeling.
De rechtbank ziet in de ernst van de bewezenverklaarde feiten die in kort tijdsbestek zijn gepleegd aanleiding om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Op grond van het voorgaande in combinatie met de LOVS-richtlijnen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met de straf zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden aan verdachte opleggen. De rechtbank zal de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden overnemen, met uitzondering van het contactverbod.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten, in combinatie met de LOVS-richtlijnen, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een fors hogere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen voor de duur van 160 uren.
Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1 STK Wapen, Omschrijving: PL1300-2023035213-G6301771, zwart;
6 STK Munitie, Omschrijving: PL1300-2023035213-G6301776, Goudkleurig.
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen munitie en wapens te onttrekken aan het verkeer.
De raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de in beslag genomen goederen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank zal het in beslag genomen wapen en patronen onttrekken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 15.440,68 aan materiële schadevergoeding en € 6000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken,
Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde:
Eendaadse samenloop van:
medeplegen van voorbereiding
van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
en/of
van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat veroordeelde meewerkt aan de MST behandeling, en andere van toepassing zijnde gedragsinterventies en/of behandelingen die Jeugdbescherming [locatie] noodzakelijk acht;
dat veroordeelde naar school en/of stage gaat volgens het rooster;
dat veroordeelde meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve dagbesteding;
dat veroordeelde zich voor een gedurende door de jeugdreclassering ambtenaar van Jeugdbescherming [locatie] te bepalen periode (die maximaal loopt tot het einde van de proeftijd) en door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang als deze instelling dit nodig acht.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming [locatie] tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren met aftrek van de tijd die verdachte voor de tuinuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen.
Verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
1 STK Wapen, Omschrijving: PL1300-2023035213-G6301771, zwart;
6 STK Munitie, Omschrijving: PL1300-2023035213-G6301776, Goudkleurig.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot € 2567,68 (zegge: tweeduizendvijfhonderd en zevenenzestig euro en achtenzestig cent), waarvan € 67,68 voor materiële schade en € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 1] ter hoogte van € 2567,68 (zegge: tweeduizendvijfhonderd en zevenenzestig euro en achtenzestig cent). Voornoemd bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering ten aanzien van de materiële schadevergoeding voor het overige af.
Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk is.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.E. van Montfrans, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. A.K. Mireku en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Bien, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 mei 2023.
[…]
Beoordeling
De advocaat van de benadeelde partij heeft gepersisteerd bij de ingediende vordering.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schadevergoeding voor wat betreft de bril en het opvragen van de medische geschiedenis geheel toe toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente. Voor wat betreft de toekomstige materiële schade heeft de officier van justitie gevorderd deze post niet-ontvankelijk te verklaren conform het verzoek van de advocaat. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie gevorderd het verzochte bedrag te matigen tot een bedrag van € 4000,-. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de materiële schadevergoeding. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsman verzocht deze te matigen tot een maximum bedrag van € 1.000,- gelet op de draagkracht van verdachte. Verder verzoekt de raadsman de schade niet hoofdelijk toe te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van het opvragen van medische stukken bij de huisarts toewijzen tot een bedrag van € 67,68, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, nu deze tot dit bedrag inhoudelijk niet is betwist. De schade kan volledig aan verdachte worden toegerekend. Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen zal de rechtbank de schadevergoeding niet hoofdelijk op leggen.
De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de bril afwijzen. Er kan niet worden vastgesteld dat sprake is van rechtstreekse schade door het handelen van verdachte. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de toekomstige geschatte materiële schade eveneens afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat de schadepost onvoldoende is onderbouwd en bovendien is nu nog niet vast te stellen of deze schade daadwerkelijk zal intreden.
Immateriële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,-. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de immateriële schade een bedrag van € 2.500,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering tegenover de betwisting onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 46, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.