Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-04-06
ECLI:NL:RBAMS:2023:3462
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,525 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/036167-23 (EAB XVII)
Datum uitspraak: 6 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 februari 2023 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 november 2022 door the Office of the Prosecutor of the Republic at the Court of Genoa (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 maart 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een executive sentence of the Court of Genoa (Italië), issued on 14th November 2016 and enforceable on 1st April 2018 (referentienummer: 2517/2016 R G TRIB).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
De officier van justitie bij de rechtbank van Genua (Italië) heeft op 20 oktober 2022 een zogenaamde cumulatiebeslissing (provvedimento di cumolo) genomen (referentienummer: 1064/2022 SIEP). In die cumulatiebeslissing worden de openstaande (vrijheids)straffen van de opgeëiste persoon genoemd, waaronder de hiervoor vermelde vrijheidsstraf van zes maanden. Overwogen wordt dat ter nakoming van het beginsel van samenvallende straffen één straf moet worden vastgesteld die in concreto door de veroordeelde moet worden uitgezeten. De cumulatiebeslissing bepaalt dat de totale resterende vrijheidsstraf 8 jaar, 2 maanden en 8 dagen bedraagt en ten uitvoer moet worden gelegd.
Deze in de cumulatiebeslissing vermelde resterende vrijheidsstraf is ook vermeld in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van de OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
In de aanvullende informatie van 23 maart 2023 is vermeld dat de advocaat van de opgeëiste persoon op 11 mei 2016 hoger beroep heeft ingesteld en dat the Court of Appeal het vonnis in eerste aanleg heeft bevestigd op 5 februari 2018. Uit de aanvullende informatie, gelezen in samenhang met de vraagstelling van het IRC, maakt de rechtbank op dat in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon en de strafoplegging, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. De rechtbank zal daarom alleen de beslissing in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich de in artikel 12, sub a en sub c, OLW genoemde omstandigheden hebben voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW daarom niet van toepassing is. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat kan worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLW. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure, omdat hij een advocaat heeft gemachtigd en domicilie heeft gekozen op het adres van de door hem gekozen advocaat en dat de officiële correspondentie naar deze advocaat is verzonden. Overlevering houdt geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in, omdat het de verantwoordelijkheid is van de opgeëiste persoon om contact te onderhouden met zijn advocaat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit het EAB en de aanvullende informatie van 27 februari 2023 en 23 maart 2023 volgt dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet. De opgeëiste persoon heeft met het oog op de procedure in eerste aanleg een voorkeursadvocaat gekozen, te wiens kantore hij domicilie heeft gekozen. Deze advocaat heeft hem in eerste aanleg bijgestaan en heeft vervolgens namens de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld en heeft hem (naar de rechtbank begrijpt) als gemachtigd advocaat in de procedure in hoger beroep daadwerkelijk verdedigd. Gelet daarop is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing voor de procedure in hoger beroep.
Ten aanzien van de cumulatiebeslissing van de Italiaanse officier van justitie heeft de rechtbank eerder vastgesteld dat bij een dergelijke beslissing geen beoordelingsmarge bestaat in de zin van punt 88 van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Zdziaszek.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor of the Republic at the Court of Genoa (Italië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en D. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2023.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Een Nederlandse vertaling daarvan bevindt zich in het dossier.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 in de zaak Tupikas, ECLI:EU:C:2017:628.
Rechtbank Amsterdam 12 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7239 en Rechtbank Amsterdam 10 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:107.
Rechtbank Amsterdam 29 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7227 en rechtbank Amsterdam 8 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5533 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:7856).
Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
HvJ EU 3 maart 2020, C-717/18, ECLI:EU:C:2020:142 (X (Europees aanhoudingsbevel – Dubbele strafbaarheid)), punt 42.
ECLI:NL:RBAMS:2019:10053.
o.a. ECLI:NL:RBAMS:2020:2039.