Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-04-06
ECLI:NL:RBAMS:2023:3457
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,529 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/011592-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 6 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 januari 2023 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 november 2022 door the Office of the Prosecutor of the Republic at the Court of Genoa (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 maart 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een executive sentence of the Court of Genoa (Italië), issued on 16th December 2015 and enforceable on 27th January 2017 (referentienummer: 5738/2015 R G TRIB).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
De officier van justitie bij de rechtbank van Genua (Italië) heeft op 20 oktober 2022 een zogenaamde cumulatiebeslissing (provvedimento di cumolo) genomen (referentienummer: 1064/2022 SIEP). In die cumulatiebeslissing worden de openstaande (vrijheids)straffen van de opgeëiste persoon genoemd, waaronder de hiervoor vermelde vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden. Overwogen wordt dat ter nakoming van het beginsel van samenvallende straffen één straf moet worden vastgesteld die in concreto door de veroordeelde moet worden uitgezeten. De cumulatiebeslissing bepaalt dat de totale resterende vrijheidsstraf 8 jaar, 2 maanden en 8 dagen bedraagt en ten uitvoer moet worden gelegd.
Deze in de cumulatiebeslissing vermelde resterende vrijheidsstraf is ook vermeld in het EAB.
3.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon cassatieberoep (only in relation to reasons of legitimacy) heeft ingesteld bij de Court of Cassation. Uit de cumulatie-beslissing van 20 oktober 2022 blijkt dat dit cassatieberoep op 27 januari 2017 niet-ontvankelijk is verklaard.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het onduidelijk is hoe deze cassatieprocedure is verlopen en of er een gemachtigde advocaat aanwezig was. Daarom is het niet mogelijk om op grond van de thans beschikbare informatie te beoordelen of deze procedure valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat nadere informatie moet worden opgevraagd om duidelijkheid te verkrijgen over (de aard van) deze procedure.
De rechtbank overweegt dat volgens de aanvullende informatie van 27 februari 2023 de Court of Cassation uitsluitend de rechtmatigheid beoordeelt. De rechtbank begrijpt hieruit dat in cassatie de strafzaak niet ten gronde wordt behandeld, maar dat dan alleen rechtsvragen onderwerp van bespreking zijn. Gelet op deze beperkte beoordeling valt de procedure bij de Court of Cassation naar het oordeel van de rechtbank niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon niet-ontvankelijk is verklaard in het cassatieberoep zodat ook om die reden geen sprake is van een procedure waarin definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en de strafoplegging, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en ziet geen reden om hieromtrent nadere vragen te stellen.
Ten aanzien van de cumulatiebeslissing van de Italiaanse officier van justitie heeft de rechtbank eerder vastgesteld dat bij een dergelijke beslissing geen beoordelingsmarge bestaat in de zin van punt 88 van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Zdziaszek.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
4Strafbaarheid
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van haar lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt.
De rechtbank is in beginsel gebonden aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat een feit waarvoor overlevering wordt verzocht een lijstfeit oplevert.
De omstandigheid dat een feit, ondanks het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit, niet een lijstfeit oplevert, kan niet zonder meer tot weigering van de overlevering voor dat feit leiden. In een dergelijk geval moet de rechtbank immers nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het feit geen lijstfeit oplevert, maar heeft niet aangevoerd dat de strafbaarheid naar Nederlands recht van dat feit ontbreekt. Het verweer behoeft daarom al geen inhoudelijke bespreking.
5Detentieomstandigheden
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken overwogen dat op basis van de algemene omstandigheden in zestien Italiaanse detentiecentra sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden daar onmenselijk of vernederend worden behandeld. Gelet op het meest recente rapport van de European Committee for the prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 24 maart 2023 en de actuele gegevens van non-gouvernementele organisatie Antigone geldt ten aanzien van zes van die zestien detentiecentra (Napoli Secondigliano, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwengevangenis, Nuoro) thans geen algemeen gevaar meer.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor of the Republic at the Court of Genoa (Italië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en D. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2023.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
een Nederlandse vertaling daarvan bevindt zich in het dossier.
Rechtbank Amsterdam 29 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7227 en rechtbank Amsterdam 8 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5533 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:7856).
Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.
HvJ EU 3 maart 2020, C-717/18, ECLI:EU:C:2020:142 (X (Europees aanhoudingsbevel – Dubbele strafbaarheid)), punt 42.
ECLI:NL:RBAMS:2019:10053.
o.a. ECLI:NL:RBAMS:2020:2039.