Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-04-05
ECLI:NL:RBAMS:2023:2608
Strafrecht
Beschikking
1,259 tokens
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 23 december 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 5 april 2023 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde en de officier van justitie op zitting gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. De veroordeelde stelt ook dat hij geen opzet heeft gehad op het feit.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift gegrond kan worden verklaard.
Beoordeling
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
De officier van justitie heeft op 24 mei 2022 aan de veroordeelde een strafbeschikking opgelegd van 40 uren taakstraf wegens overtreding van artikel 2 ter lid 1 van Verordening (EU) nr. 692/2014 jo artikel 2 Sanctiewet 1977 jo art 1 onder 1 Wet economische delicten. Het Openbaar Ministerie verweet veroordeelde onvoldoende zorg te hebben betracht en achtte daarom (voorwaardelijk) opzet aanwezig. Mits opzettelijk gepleegd is het door de veroordeelde gepleegde feit een 6-jaars feit en dus een feit vallende onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv. Aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1 onder c van de Wet is dan ook in beginsel voldaan.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks de veroordeling, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd (Hoge Raad 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234).
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld wegens overtreding van een EU-verordening betreffende de sanctiewetgeving. Het bedrijf van de veroordeelde heeft in de periode van maart 2015 tot en met april 2017 heihamers aan Rusland geleverd die zijn gebruikt bij de aanleg van de Krimbrug. De veroordeelde heeft in 2015 zijn bedrijf verkocht. Uiteindelijk is vanwege tijdsverloop op 24 mei 2022 aan de veroordeelde een strafbeschikking van 40 uren taakstraf opgelegd. De veroordeelde heeft, afgezien van deze strafbeschikking, een blanco strafblad.
De rechtbank is van oordeel dat in dit concrete geval, gelet op de aard van het misdrijf waarvoor veroordeelde is veroordeeld, mede bezien in het licht van de overige omstandigheden, redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Het bezwaar zal dan ook gegrond worden verklaard en het celmateriaal moet worden vernietigd.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt dat de officier van justitie ervoor zorg draagt dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. E.G.C. Groenendaal, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en uitgesproken op 5 april 2023.