Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-06-16
ECLI:NL:RBAMS:2022:3376
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,840 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/928
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. C.G.M. de Groot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Telting).
Partijen worden hierna [eiser] en het college genoemd.
Procesverloop
Met een besluit van 15 september 2021 heeft het college de bijstandsuitkering van [eiser] vanaf 31 augustus 2021 ingetrokken.
Met een besluit van 12 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en persoonlijk begeleider [persoon] . Namens het college was de gemachtigde aanwezig.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. [eiser] ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Het college heeft deze uitkering opgeschort vanaf 31 augustus 2021. [eiser] was namelijk niet gekomen naar het gesprek op kantoor van 31 augustus 2021 en hij heeft verder niets laten horen.
2. [eiser] had op 6 september 2021 opnieuw een gesprek met een handhavingsspecialist op kantoor. [eiser] was dit keer wel gekomen, maar hij had niet de gevraagde rekeningafschriften bij zich, en hij werd agressief toen ter sprake kwam dat de handhavingsspecialist aansluitend aan het gesprek een huisbezoek wilde afleggen. Drie beveiligers hebben [eiser] uiteindelijk uit het gebouw gezet. Het college heeft de bijstandsuitkering van [eiser] daarop ingetrokken vanaf 31 augustus 2021.
Wettelijk kader
3. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet kan het college het recht op bijstandsuitkering opschorten als de betrokkene niet voldoet aan het verzoek om bepaalde gegevens te verstrekken of als de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. Het college kan daarna, indien de betrokkene het verzuim niet binnen de gegeven hersteltermijn herstelt, het recht op bijstandsuitkering intrekken op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet.
Beoordeling
4. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of het college het recht op bijstand van [eiser] terecht heeft ingetrokken vanaf 31 augustus 2021.
5. Op de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] gezegd dat – anders dan in het beroepschrift staat – niet langer in geschil is dat sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De beroepsgrond daarover zal de rechtbank dus niet bespreken.
6. [eiser] voert aan dat het college niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen doordat geen bedenktijd of afkoelmoment werd ingelast toen hij tijdens het gesprek op kantoor agressief werd over het aanstaande huisbezoek. Het college is immers bekend met de problematiek van [eiser] . Deze bestaat uit beperkingen op psychosociaal gebied. [eiser] krijgt persoonlijke begeleiding vanuit een zorgorganisatie omdat hij niet zelfredzaam is.
7. De rechtbank overweegt dat uit het ondertekende en op ambtsbelofte opgemaakte rapport van de handhavingsspecialist van 13 september 2021 blijkt dat [eiser] aan het begin van het gesprek toestemming heeft gegeven voor een huisbezoek aansluitend aan het gesprek. In het rapport staat namelijk: “U vertelt mij dat u na dit gesprek aansluitend op huisbezoek wilt, dat is goed.” Daarna sloeg de sfeer in het gesprek om, en is [eiser] agressief geworden waarbij hij de handhavingsspecialist heeft uitgescholden en haar ernstige ziektes heeft toegewenst. Uiteindelijk heeft de handhavingsspecialist een noodknopje ingedrukt, en hebben drie beveiligers [eiser] het gebouw uitgezet. Uit rechtspraak blijkt dat het college er rekening mee moet houden als iemand door psychische problematiek de gevolgen van het niet meewerken niet kan overzien. Het college kan dan bijvoorbeeld een afkoelmoment of bedenktijd inlassen, en kan onderzoeken of een effectieve en efficiënte controle van de woonsituatie ook kan plaatsvinden op een voor betrokkene minder belastende en voor het college aanvaardbare manier. De rechtbank vindt echter niet dat dat hier ook had gemoeten, omdat niet gebleken is dat de problematiek van [eiser] zodanig ernstig is dat hij de gevolgen van zijn gedrag niet kan overzien. Dat de agressieve uitlatingen van [eiser] zijn veroorzaakt door zijn psychische gesteldheid en dat hij niet anders kon handelen, is onvoldoende onderbouwd. Hij heeft dat standpunt niet met medische of andere rapporten onderbouwd. Het gedrag van [eiser] komt dus voor zijn eigen rekening en er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vereiste zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen.
8. [eiser] heeft verder aangevoerd dat het college een schriftelijke hersteltermijn had moeten bieden voor het verstrekken van de bankafschriften alvorens tot intrekking van het recht op bijstand kon worden overgegaan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit overwegingen 4.4.1. en 4.5. van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 augustus 2019.
9. De rechtbank overweegt dat [eiser] eerst niet aan het verzoek van 27 augustus 2021 heeft voldaan om zijn bankafschriften te verstrekken, waarna het college het recht op bijstand heeft opgeschort. Het college heeft vervolgens met de brief van 1 september 2021 een hersteltermijn gegeven aan [eiser] voor het aanleveren van de bankafschriften. Omdat [eiser] niet binnen deze hersteltermijn de bankafschriften heeft verstrekt, bestond er grond voor intrekking van het recht op bijstandsuitkering. Het college hoefde niet een tweede hersteltermijn te geven. Hij had al een hersteltermijn gekregen. De rechtspraak waar [eiser] naar verwijst, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel want het gaat in die uitspraak niet over een situatie dat al een hersteltermijn gegeven was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.
11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Camps griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1213 en van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3095.
Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1189.
ECLI:NL:CRVB:2019:2887.