Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-02-01
ECLI:NL:RBAMS:2022:1711
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,168 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752224-21 (EAB I)
RK nummer: 21/6049
Datum uitspraak: 1 februari 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 november 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 november 2021 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Letland) op [geboortedag] 1986
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 januari 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.F.C. Hoogendoorn, advocaat te Amsterdam en een tolk in de Russische taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van het volgende: By decision of the Riga District Court of 1 March 2021 a restraint measure - arrest- was applied to [de opgeëiste persoon] . Verder is het volgende referentienummer genoemd: reference No. 11817001620.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Lets recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft doormiddel van braak;
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of te dele aan een ander toebehoort
vernielen.
5Detentieomstandigheden
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht geen gevolg te geven aan het EAB op grond van artikel 11 OLW en subsidiair om de behandeling van de zaak aan te houden om informatie op te vragen over het individuele risico van de opgeëiste persoon na overlevering aan Letland.
Deze rechtbank heeft in eerdere uitspraken geen algemeen gevaar vastgesteld voor wat betreft de detentie-instellingen in Letland op grond van het rapport van 29 juni 2017 van the Council of Europe’s Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment of Punishment (hierna: CPT). In de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2021, ECLI:RB:AMS:2021:7255 is evenmin een algemeen gevaar voor Letland aangenomen ondanks dat de uitspraak van het Britse High Court van 28 juli 2020 in het oordeel is meegenomen, in welke uitspraak verwezen wordt naar stukken die zijn gepubliceerd na het verschijnen van het CPT-rapport van 29 juni 2017.
De raadsman heeft in deze procedure in verband met de detentieomstandigheden in Letland de volgende stukken ingebracht:
- een artikel van 21 november 2019 van het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten (OHCHR) van de Verenigde Naties (VN) met de titel Detention conditions and inter-prison violence in Latvia flagged bij Experts;
- een rapportage van de European Prison Observatory uit 2019;
- het Annual Report 2020 van de Letse Ombudsman getiteld The Rights of Imprisoned Persons. Uit deze stukken en in elk geval uit voornoemd rapport van de Letse Ombudsman valt af te leiden dat er wel degelijk een algemeen reëel gevaar bestaat dat mensen die in Letland zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld.
Ten slotte volgt uit de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon dat hij bij overlevering aan Letland daadwerkelijk gezondheidsrisico’s loopt. De opgeëiste persoon is namelijk verslaafd aan heroïne en krijgt in de Nederlandse gevangenis dagelijks methadon verstrekt. Als de opgeëiste persoon naar Letland zou worden overgeleverd zal zijn methadon-behandeling in de Letse gevangenis onmiddellijk stil komen te liggen met alle gevaren van dien. Overlevering aan Letland kan resulteren in onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid. Kennelijk vond de CPT de situatie in Letland ook dusdanig ernstig dat in 2021 weer nieuwe bezoeken aan Letland gepland stonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - kort gezegd - aangevoerd dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in Letland zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De door de raadsman aangehaalde documenten en uitspraken van deze rechtbank maken dit niet anders. De overlevering kan worden toegestaan. Ten slotte verwijst de officier van justitie naar recente uitspraken van de rechtbank waarbij de overlevering aan Letland is toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht neemt.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
De rechtbank Amsterdam heeft in uitspraken van 24 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS-:2018:4025) en 11 december 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:9097) niet alleen de inhoud van het CPT-rapport van 29 juni 2017 beschouwd maar ook de reactie daarop van de Letse autoriteiten en vervolgens geoordeeld dat er op dat moment in het algemeen geen reëel gevaar was van een onmenselijke of vernederende behandeling in Letse gevangenissen. Het rapport van 29 juni 2017 is het meest recente rapport van het CPT over Letland.
Hoewel in de door de raadsman aangehaalde uitspraak van het Britse High Court zorgen worden geuit over de detentieomstandigheden heeft de rechtbank eerder bij uitspraak van 9 december 2021 bepaald dat op grond hiervan geen algemeen reëel gevaar voor Letland kan worden aangenomen.
De rechtbank ziet daarnaast in de door de raadsman aangehaalde documenten en met name het door de verdediging overgelegde rapport van de Letse Ombudsman van 2020 geen aanleiding om af te wijken van haar eerdere oordeel, te weten dat er thans geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in Letse gevangenissen.
In het rapport van de Ombudsman wordt veelal verwezen naar de inhoud van het CPT-rapport van 2017. In het rapport is aangegeven dat tijdens de inspectie alleen in the Jelgava Prison sprake was van overbevolking en van andere gebreken maar tevens dat de aanbevelingen naar aanleiding van de inspectie van de ombudsman door de detentie-instelling Jelgava zijn overgenomen.
De door de raadsman gestelde gezondheidsrisico’s van de opgeëiste persoon in verband met het mogelijk stopzetten van de methadon-behandeling van de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Letland leveren naar het oordeel van de rechtbank evenmin een algemeen gevaar op voor de groep van harddrugsverslaafden waartoe de opgeëiste persoon behoort. Uit the Response of the Latvian Government to the report of the CPT on its visit to Latvia from 12 to 22 April 2016 d.d. 29 juni 2017 blijkt het volgende:
“Paragraph 88 Convicts with a drug addiction can use the following while in an incarceration facility:
- detox therapy;
- psychotherapy;
- training sessions with a psychologist and social workers;
- long-term methadone replacement therapy;
- participation in resocialization and addiction reduction therapy. According to Cabinet Regulation.
No. 70 “Treatment of persons addicted to alcohol, narcotic, psychoactive, toxic substances, gambling or gaming” (adopted on 24th January 2012) long-term 30 methadone replacement therapy is available to those convicts, who were prescribed and provided it prior to incarceration.”
Hoewel uit het CPT-rapport van 29 juni 2017 blijkt dat de behandeling van drugsverslaafden op een aantal punten kan worden verbeterd, levert dit geen grond op voor het aannemen van een algemeen gevaar voor harddrugsverslaafden die in een detentie-instelling in Letland verblijven.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 311 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia (Letland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 februari 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
ECLI:RBAMS:2021:6834; ECLI:RBAMS:2021:6723 en ECLI:RBAMS:2020:4880
ECLI:RBAMS:2021:7255