Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-10-18
ECLI:NL:RBAMS:2021:6295
Bestuursrecht
Bodemzaak
2,478 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/592
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. G. Gabrelian en mr. W. Bommel)
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Hummel)
Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2020 (het primaire besluit) is de studiefinanciering van eiser (gedeeltelijk) ingetrokken. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit vervolgens beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft op 8 september 2021 plaatsgevonden. Eiser is verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de Engelse taal is verschenen de heer S. Breukel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft de Bulgaarse nationaliteit en is daarmee een burger van de Europese Unie (EU). Eiser stond per 1 september 2018 voor een voltijd opleiding ingeschreven aan de Hogeschool InHolland. Op 13 december 2018 heeft eiser studiefinanciering aangevraagd bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Aan eiser is vervolgens studiefinanciering toegekend, maar achteraf is dit voor de maanden mei en juni 2019 ingetrokken. Eiser had voor de periode december 2018 tot en met december 2019 een arbeidsovereenkomst als oproepkracht bij [werkgever]
2 Het gaat om de vraag of verweerder de studiefinanciering van eiser over de maanden mei 2019 en juni 2019 terecht heeft ingetrokken, omdat eiser in die maanden geen migrerend werknemer zou zijn en dus geen recht zou hebben op studiefinanciering.
3.1
De volgende bepalingen vormen het toetsingskader in deze zaak.
3.2
Artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) bepaalt dat onder studiefinancieringstijdvak een kalenderjaar of deel daarvan (minimaal één maand) wordt verstaan. Vervolgens bepaalt artikel 3.21, eerste lid, van de Wsf, dat studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak.
3.3
Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wsf, komen onder andere EU-burgers op gelijke voet met Nederlanders in aanmerking voor studiefinanciering. Het tweede lid van dit artikel bepaalt echter dat bij nadere regelgeving kan worden bepaald dat EU-burgers alleen een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de toegang tot het onderwijs en niet voor de kosten van levensonderhoud.
3.4
Artikel 3a van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf) bepaalt vervolgens dat EU-burgers die geen duurzaam verblijfsrecht hebben en geen werknemer zijn, onder de uitzondering van artikel 2.2, tweede lid van de Wsf, vallen en dus alleen een tegemoetkoming krijgen om de kosten van de toegang tot het onderwijs te dekken.
3.5
De minister heeft ter uitvoering van deze bepalingen de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap (de Beleidsregel) vastgesteld. Daarin wordt kortgezegd aangegeven dat studenten die EU-burger zijn in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering als zij (of hun ouders) kunnen worden aangemerkt als migrerend werknemer.
3.6
Het kernelement om te bepalen of iemand migrerend werknemer is, is of deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Dat betekent dat de werkzaamheden niet van zo geringe omvang mogen zijn, dat deze als louter marginaal en bijkomstig kunnen worden gezien. Uit de Beleidsregel volgt dat de minister de EU-student zonder meer aanmerkt als migrerend werknemer als deze gemiddeld 56 uur of meer per maand heeft gewerkt. In dat geval bestaat recht op volledige studiefinanciering. Van reële en daadwerkelijke arbeid wordt in ieder geval ook gesproken als iemand 40% van de volledige arbeidstijd werkt of 50% van de bijstandsnorm verdient.
Was eiser migrerend werknemer?
4.1
De kern van het geschil draait om de vraag of eiser in mei 2019 en juni 2019 migrerend werknemer was en daarmee recht had op (volledige) studiefinanciering.
4.2
Eiser voert – samengevat - aan dat hij wel migrerend werknemer was en recht had op studiefinanciering. Primair stelt eiser dat niet per maand mag worden bekeken of iemand wel of niet migrerend werknemer is, maar dat gekeken moet worden naar de werkzaamheden over een lange(re) periode. Immers, anders is iemand als een soort knipperlicht de ene maand wel en de andere maand geen migrerend werknemer. Volgens eiser mag verweerder het migrerend werknemerschap niet op die manier beoordelen. Subsidiair stelt eiser dat hij voldoet aan de urennorm en de inkomstennorm als over heel 2019 naar zijn werkzaamheden wordt gekeken. Ook stelt eiser dat verweerder de individuele toets of sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid ten onrechte niet heeft gemaakt. Door niet alle individuele omstandigheden van eiser mee te wegen, heeft verweerder bovendien gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.3
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij heeft gewerkt in mei 2019 en juni 2019 en loon heeft ontvangen. Eiser voldoet niet aan de 56 uur zoals genoemd in de Beleidsregel. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat nu eiser totaal geen loon heeft ontvangen over deze twee maanden, daarover ook geen gemiddelde wordt berekend. Er is dus geen sprake van reële en daadwerkelijke arbeid, waardoor eiser ook niet als migrerend werknemer kan worden gezien in de maanden mei 2019 en juni 2019.
4.4
De rechtbank oordeelt het volgende. Gelet op de tekst van artikel 1.1 in samenhang met artikel 3.21 van de Wsf mag verweerder in beginsel per maand studiefinanciering toekennen en dus ook per studiefinancieringstijdvak (van minimaal een maand) bekijken of iemand aan de voorwaarden voldoet. Net zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in haar uitspraak van 30 augustus 2017, begrijpt de rechtbank het belang van verweerder om in geval van EU-studenten periodiek te kunnen controleren of zij nog voldoen aan de vereisten van het migrerend werknemerschap. Dat betekent dat verweerder, indien het toegekende studiefinancieringstijdvak korter is dan een jaar, voor dat specifieke deel van het jaar mag controleren en daarover het gemiddelde mag berekenen om te bekijken of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid.
4.5
Zoals blijkt uit de brief van DUO is de toekenningsperiode die het uitgangspunt vormt in deze zaak de periode januari 2019 tot en met juni 2019. De rechtbank stelt vast dat eiser in de maanden mei 2019 en juni 2019 nul uren heeft gewerkt en ook geen loon heeft gehad. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er in ieder geval in enige mate sprake moet zijn van feitelijke werkzaamheden in de desbetreffende maand, willen deze worden betrokken bij het berekenen van het gemiddelde om te bepalen of er sprake is van doorlopende reële en daadwerkelijke arbeid. Kortom, zonder feitelijk werken kan iemand niet worden beschouwd als migrerend werknemer. Een andere uitleg zou namelijk betekenen dat een EU-student die slechts een paar maanden per jaar veel uren maakt en de rest van het jaar feitelijk helemaal niet werkt, alsnog voor het hele jaar reële en daadwerkelijke arbeid zou hebben verricht en dus als migrerend werknemer zou moeten worden aangemerkt. Voor zo een verstrekkende lezing vindt de rechtbank geen steun in het Unierecht of de EU-rechtspraak.
4.6
Over de individuele toets overweegt de rechtbank dat verweerder nadere stukken heeft opgevraagd bij eiser. Eiser heeft loonstrookjes, arbeidsovereenkomsten, een uitdraai van het UWV en een uitdraai van zijn bankrekeningspecificatie overgelegd. Verweerder heeft deze stukken beoordeeld, maar geconcludeerd dat daaruit niet volgt dat eiser over de maanden die hier in geding zijn als migrerend werknemer moet worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende op de persoon van eiser gericht nader onderzoek is gedaan en dat terecht is overwogen dat deze stukken niet leiden tot de conclusie dat eiser toch als migrerend werknemer moest worden gezien voor de maanden mei en juni 2019. Van schending van artikel 3:2 Awb is geen sprake. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie
1. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Zie CRvB 30 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2973 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Zie brief DUO van 3 januari 2019 (gedingstuk 3.6).
Zie CRvB 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3700, rechtsoverweging 4.6.2 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
CRvB 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3700, rechtsoverweging 5.1 en verder (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).