Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-11-04
ECLI:NL:RBAMS:2021:6287
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,673 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/352
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. D.R. Changoer),
en
de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Kappelhof en mr. P. Nomden).
Procesverloop
Met het besluit van 20 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een verblijfsverbod opgelegd voor de duur van zes maanden voor het overlastgebied Amsterdam Centrum. Verder heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 6 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Griffierecht
1. Eiser heeft verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde eigen verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen vast dat eiser aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 15 december 2018 heeft verweerder eiser een verblijfsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden voor het “Dealeroverlastgebied 2.0 Amsterdam Centrum”. Het verblijfsverbod is gebaseerd op artikel 2.9A, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam (APV). Verweerder heeft dit gedaan omdat zij het aannemelijk vond dat eiser in het overlastgebied middelen in de zin van de Opiumwet of daarop gelijkende waar heeft verkocht of te koop heeft aangeboden.
2.2.
Op 25 juli 2019 heeft de politie een proces-verbaal tegen eiser opgemaakt, en aan eiser om dezelfde reden een verwijderingsbevel voor de duur van 24 uur opgelegd. Uit het proces-verbaal van 25 juli 2019 komt namelijk naar voren dat verbalisanten op 25 juli 2019 hoorden en zagen dat eiser op het [plein] in Amsterdam verdovende middelen probeerde te verkopen.
2.3.
Op basis van het proces-verbaal van 25 juli 2019 heeft verweerder in het primaire besluit eiser het verblijfsverbod voor de duur van zes maanden opgelegd.
2.4.
Naast het verblijfsverbod heeft verweerder in het primaire besluit eiser ook een last onder dwangsom opgelegd, omdat eiser eerder opgelegde verblijfsverboden heeft overtreden. Eiser verbeurt bij elke overtreding van het verblijfsverbod een bedrag van € 1.000,- met een maximum van € 10.000,-.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader dat de rechtbank heeft toegepast is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling
4.1.
Eiser voert aan dat de artikelen 2.7 tot en met 2.9A van de APV onverbindend zijn, omdat de gedragingen die daarin zijn genoemd, ook onder het bereik van de Opiumwet vallen. Ook de strafrechter kan op grond van de Opiumwet een gebiedsverbod opleggen. Er is sprake van een criminal charge.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat de bepalingen uit de APV waarop verweerder zich beroept, niet onverbindend zijn. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
4.3.
De gemeenteraad is op grond van artikel 121 van de Gemeentewet bevoegd tot het maken van verordeningen, zoals de APV. Verordeningen mogen niet in strijd zijn met hogere regelingen, zoals in dit geval de Opiumwet. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen is artikel 2.9A van de APV een preventieve maatregel, die is gericht op herstel van de openbare orde. Een verblijfsverbod dat is opgelegd op grond van artikel 2.9A van de APV is dan ook – anders dan eiser stelt – geen criminal charge. Het is een herstelsanctie, geen punitieve (bestraffende) sanctie. Een sanctie die is opgelegd op grond van de Opiumwet is wel een punitieve sanctie. Het motief van de Opiumwet is namelijk het opleggen van een straf. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat overtreding van deze bepalingen van de APV niet betekent dat ook de Opiumwet wordt overtreden. De Opiumwet staat daarom niet in de weg aan de verbindendheid van deze APV-bepalingen.
5.1.
Eiser voert ook aan dat het besluit niet in stand kan blijven vanuit het perspectief van het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. Het gebied is te omvangrijk, en het verbod geldt onbeperkt in tijd (24 uur per dag).
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder met het opleggen van een verblijfsverbod de overlast die gepaard gaat met straathandel in verdovende middelen wil tegengaan. De straathandel leidt tot gevoelens van onveiligheid bij bewoners, ondernemers en bezoekers. De straathandel is ernstig en structureel, en gaat gepaard met geweld richting passanten, gebruikers en dealers. De handel in verdovende middelen is daarnaast sterk verweven met andere strafbare feiten, zoals straatroof, diefstal en heling. De overlast die het gevolg is van de straathandel is onaanvaardbaar hoog.
5.3.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder het algemene belang van handhaving van de openbare orde afweegt tegen het recht van eiser om zich ongehinderd te verplaatsen in het overlastgebied. In dit geval weegt het algemeen belang zwaarder. Verweerder weegt daarbij mee dat aan eiser al meermalen een maatregel is opgelegd, en ook al eerder een verblijfsverbod. Eiser woont niet in het overlastgebied, en heeft niet aangevoerd dat hij in het overlastgebied moet zijn voor werk of afhankelijk is van medische voorzieningen in het gebied. Indien dat wel het geval zou zijn, biedt verweerder de mogelijkheid van een corridor, zodat eiser op bepaalde tijden in het overlastgebied mag komen.
5.4.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het opleggen van het verblijfsverbod voldoende heeft afgewogen tegen de inbreuk op het recht van een overtreder om te gaan en staan waar hij wil. Verweerder heeft beargumenteerd dat een minder verstrekkende maatregel in dit geval niet voorhanden was. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook rekening gehouden met de individuele belangen van eiser. Het verblijfsverbod voldoet daarmee aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
6.1.
Eiser voert tot slot aan dat de opgelegde last onder dwangsom achterwege had moeten blijven. Gelet op de persoonlijke situatie van eiser kan van de dwangsom geen prikkel uitgaan, omdat eiser inkomen noch vermogen heeft.
6.2.
De rechtbank oordeelt dat de last onder dwangsom er op is gericht overtreding van het verblijfsverbod te voorkomen. Van een last onder dwangsom gaat in het algemeen een prikkel uit. Omdat eiser al eerder een verblijfsverbod had overtreden, heeft verweerder in redelijkheid van haar bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik kunnen maken.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.M.D. Pielaat, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Bijlage: wettelijk kader
Artikel 121 van de Gemeentewet luidt als volgt: “de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.”
Krachtens artikel 2.7, tweede lid, van de APV is het verboden zich op of aan de weg op te houden als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.
Op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de APV kan de burgemeester een overlastgebied aanwijzen als naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. Hij bepaalt daarbij of artikel 2.9 of artikel 2.9A van de APV van toepassing is.
Op grond van artikel 2.9A, eerste lid van de APV kan de burgemeester degene die in een op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de APV aangewezen overlastgebied zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden.
Op grond van artikel 2.9A, tweede lid, van de APV kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een bevel als bedoeld in artikel 2.9A, eerste lid, van de APV is gegeven en die binnen een periode van een jaar opnieuw met de in dat lid genoemde bepaling overtreedt, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar gedurende een periode van maximaal zes maanden niet meer te bevinden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3446.
Uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:BY5725.