Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-10-06
ECLI:NL:RBAMS:2021:5884
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
962 tokens
Dictum
De autoriteiten van België hebben om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1995
zonder vaste- woon of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te [detentieplaats] .
De opgeëiste persoon is op 29 september 2021 aangehouden op grond van een Europees Aanhoudingsbevel. De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier, waaronder het
Bevel tot inverzekeringstelling en voortzetting inverzekeringstelling van 29 september 2021 van de officier van justitie en het proces-verbaal van verhoor van de opgeëiste persoon bij de officier van justitie van diezelfde datum.
De rechtbank verwijst naar haar beslissing van 25 november 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5778), waarin onder meer als volgt is overwogen:
Om te verzekeren dat, los van een verzoek om opheffing, steeds spoedig na de aanhouding een rechterlijke toets plaatsvindt of de overleveringsdetentie wordt voortgezet, legt de rechtbank artikel 21, negende lid, OLW zo uit, dat zij verplicht is om steeds kort na het bevel tot inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 21, achtste lid, OLW ambtshalve gebruik te maken van de bevoegdheid om te beoordelen en te beslissen of dat bevel gehandhaafd blijft.
Deze rechterlijke toetsing vindt thans, korte tijd na het bevel tot inverzekeringstelling en dus spoedig na de aanhouding, plaats.
Tijdens het verhoor bij de officier van justitie is aan de advocaat van de opgeëiste persoon een brief verstrekt van de voorzitter van de Internationale Rechtshulp Kamer. In deze brief is onder andere vermeld dat de rechterlijke toetsing van de door de officier van justitie bevolen inverzekeringstelling voortaan, anders dan voorheen, buiten zitting plaatsvindt. Ook is gewezen op de mogelijkheid om – als de advocaat van oordeel is dat de beslissing tot inverzekeringstelling van de officier van justitie in het kader van deze toetsing moet worden opgeheven – dit schriftelijk en gemotiveerd kenbaar te maken. In onderhavige zaak heeft de advocaat hiervan geen gebruik gemaakt.
In voornoemde brief is benadrukt dat bij onderhavige (beperkte) rechterlijke toets enkel wordt onderzocht of de overleveringsdetentie al dan niet moet worden opgeheven. Inhoudelijke verweren aangaande het EAB kunnen tijdens de inhoudelijke (meervoudige) behandeling worden gevoerd. Voorts is meegedeeld dat – los van onderhavige toets – te allen tijde op de gebruikelijke wijze, schriftelijk, gemotiveerd en met stukken onderbouwd een verzoek tot opheffing en/of schorsing van de overleveringsdetentie bij de rechtbank kan worden ingediend, waarna dit verzoek zo spoedig mogelijk zal worden gepland en behandeld op één van de raadkamerzittingen van de Internationale Rechtshulp Kamer.
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het EAB. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit (enig) vluchtgevaar. Overigens ziet de rechtbank geen grond voor opheffing van het bevel tot inverzekeringstelling.
De rechtbank is op grond van bovengenoemde stukken en de aangehaalde jurisprudentie van oordeel dat de overleveringsdetentie dient te worden voortgezet.
Gelet op artikel 21 van de Overleveringswet.
Dictum
De rechtbank beslist:
- dat het bevel tot inverzekeringstelling niet wordt opgeheven en de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.
Deze beslissing is genomen op 6 oktober 2021 door:
mr. O.P.M. Fruytier, rechter,
in tegenwoordigheid van J.H. Beudeker, griffier.